+ Plus

De kleinste motorclub van Nederland

Op de terugreis van een trip door de Duitse Harz oppert Jan Dales op een meimiddag in 1992 achter een pot bier en een grote schnitzel een idee. Hij wil een motorclub beginnen. Met zijn broer Hendrik. Ter plekke wordt MC De Dulles geboren, de kleinste motorclub van Nederland. Want acuut voeren de twee zelfbenoemde voorzitters een ledenstop in. Het moet immers wel overzichtelijk blijven. Lid van een andere motorclub zijn ze niet. “Oh nee. Dan moet je conformeren aan andermans regels.”

‘Gristelijk’ opgevoed, zijn ze, vertelt Jan Dales. Maar in een spijkerbroek en een T-shirtje achterop bij zijn ‘atheïstische vrienden’ ging een wereld open voor de oudste van de Dales-broers. Het virus kroop ook bij hem onder het vel, zoals hij zegt. En de ‘gristelijke’ ouders? “Als je er niet te veel over zegt, krijg je ook niet te veel commentaar.” In volle sterkte is MC De Dulles present in het statige Hotel Spoorzicht in hun geliefde Loppersum.
De ene voorzitter is 59, de voorzitter annex penningmeester op de andere praatstoel is 54. In de overigens nergens vastgelegde statuten van de club is opgenomen dat de beide voorzitters altijd gelijk hebben. “Per definitie”, zegt Jan. “En regel 2 is: ‘mocht dat niet zo zijn, dan treedt regel 1 in werking’”, vult Hendrik aan. Wel staan die niet beschreven statuten een kleine ‘escape’ toe, aldus Jan, voor andere motor-rijdende Dalessen. “Dan moet je eerst voor de ballotagecommissie verschijnen om te kijken of wij vinden dat je lid kunt worden.” “Die kans is natuurlijk bijna nul”, geeft Hendrik voor de duidelijkheid aan. Een rolverdeling is er niet in het clubbestuur. De één is niet de baas over de ander. “Oh God, dat laten we beiden niet toe”, neemt Hendrik twijfel weg. “In het begin reed Jan ook altijd voorop. Maar in Denemarken reed hij achter een vrachtwagen aan en uiteindelijk stonden we in een haven. Vanaf dat moment heb ik gezegd ‘en nou rij ik voorop’.”
“Dat ging ook gelijk een stuk beter”, geeft Jan toe. “Mijn oriëntatiegevoel is gelijk dat van een dood paard.” “In principe halen we mekaar niet in”, zegt Hendrik. Jan stemt toe. “In principe niet. Uit principe wel.”
Contributie betalen de clubleden van MC De Dulles niet. “Ik heb wel een creditcard”, zegt Jan. “Hé, we hebben wel een gezamenlijke rekening”, bedenkt Hendrik. “Voor goede doelen.” Jan legt het uit.
“Hendrik sponsort KiKa, ik het Epilepsiefonds. Sinds mijn 44e heb ik stressgerelateerde epilepsie. In 2010 dachten wij ‘we gaan eens een sponsoractie op touw zetten’. We zouden naar de Poolcirkel rijden en als dat lukte en ik zou meer dan 5.000 euro krijgen, zou m’n snor eraf gaan. En die had ik al sinds mijn geboorte, volgens mijn vader. Bij 10.000 euro zou het borsthaar er ook af gaan en bij 15.000 euro dan ging alles eraf, en plein public. Joh, wat maakt mij dat uit….” Dales haalde uiteindelijk 5.050 euro op; alleen de snor sneuvelde.

Het begint ooit met een Zündapp, die Jan aan zijn jongere broer verkoopt als hijzelf eindelijk het zuurverdiende geld bijeen heeft om een Honda CB500 te betalen. Die is voor Hendrik echter ook niet veilig. “Als ik uit school kwam en Jan aan het werk was, stapte ik op de CB”, grinnikt Hendrik. “Daarna vulde ik de tank bij. De eerste jaren heb ik ‘m er niks van verteld. En tegen m’n ouders al helemaal niet, natuurlijk.”
Als hij het destijds had geweten, was hij wel boos geworden, zegt Jan. Dat betekent in die dagen dan weinig goeds. Hij is rustiger geworden, zegt hij. Hendrik beaamt het. “Met Jan kan ik wel ruzie hebben. Dan is het daarna een hand en een biertje, klaar.”
Zelf haalt Hendrik zijn rijbewijs toen hij 23 was. Op bijzondere wijze. “De instructeur en de rijschoolhouder zaten in de auto achter me te kletsen. Ik kwam op een T-splitsing af, achter een vrachtwagen. Ik rem af, maar zij knalden vól achter op me. Ik lag gestrekt op de weg, alles deed het nog. ‘Je bent geslaagd’, riepen ze meteen, totaal overstuur. Ik was vijf minuten onderweg!”
Als hij zijn rijbewijs heeft, moet er meteen een motor komen. “Het geld brandde in m’n zak!” Het wordt een Honda CB250, met ruim 70.000 op de teller. “Ik ga rijden met Jan en krijg een vastloper van jewelste. Toen heeft Jan me van Gieten naar Hoogezand aan een sjaal over de snelweg naar huis getrokken. Een lamme poot, joh….”
Jan rijdt dan inmiddels een Suzuki GSX600F. “Mijn eerste ‘snelle’ motor.” Geïnspireerd door reisverhalen besloten de broers om samen ook meerdaagse trips te gaan maken. “We gingen twee dagen naar de Harz, ik op mijn Yamaha SRX. Het leek wel twee weken! We vonden het een verschrikkelijk avontuur”, lacht Hendrik. Op de terugweg wordt MC De Dulles opgericht. Met twee ‘Dulles’, een verbastering van hun achternaam, is ook meteen het ledenplafond bereikt, luidt het unanieme bestuursbesluit. Het doel van de club wordt helder omschreven. “Bochtjes rijden”, aldus Hendrik. “En als het maar enigszins kan: we vertrekken hier en rijden alleen maar secundaire wegen. Tot in Zweden, tot in Frankrijk toe. Alleen maar bochten.”
De routes maakt Hendrik zelf. Zo komen ze ook terecht in Francorchamps. Met kaarten voor de Formule 1 – ‘gekregen van onze vrouwen’ – trekken de broers ook naar het zuiden. “Maar in Spa kom ik op mijn GSX600F op een bocht af, die ik niet goed had gezien, rij zo het trottoir op en sta stil in de deuropening van een winkel”, vertelt Jan. “Toen hebben we eerst maar eens een paar uur aan de kant gezeten. Opnieuw ontbeten, twee aspirines genomen en sindsdien ben ik er fel op: drank en motorrijden gaan niet samen. Ook niet de volgende dag. Ik had gewoon strontmazzel.”
De smaak hebben de twee wel te pakken. Hun echtgenotes blijven echter al tijden thuis in Loppersum. “Wie zijn vrouw liefheeft, laat haar thuis”, meent Jan quasi plechtig. “Ik hou er geen rekening meer mee als ik een motor koop”, zegt Hendrik. “De duosteuntjes heb ik er ook afgehaald.”

Het reisbeleid van de club valt op door zijn eenvoud. “Als het mooi weer is, bellen we mekaar op, vragen onze vrouwen of het goed is dat we gaan en we vertrekken”, verduidelijkt Jan. “Inmiddels hebben we ook een groepsapp met een paar vrienden. We appen ‘volgende week gaan we weg, wie gaat er mee’. Soms drie man, soms vier. Dat noemen we de ‘bie-rieders’.”
Hun reizen voeren ver, met als hoogtepunten twee reizen naar Noorwegen. Genieten tot in de haarvaten van de bloedstollend fraaie Geiranger Fjord en Trolstygen. Ter plekke bespreekt Hendrik voor vier man een boot die hen van eiland naar eiland moet brengen. “Komt er een Noor naar ons toe van een Shantykoor dat daar aan het zingen was. Die vertelde ons in het Engels dat we dan dagen op één eiland vastzitten, omdat er maar eens in drie dagen een boot langs kwam. Ik bedenk me daarna pas: hoe kon die kerel dat verstaan? Want we spraken Gronings tegen elkaar. Bleek dat z’n schoonmoeder uit Aadorp in Groningen kwam… Toen hebben wij met dat Shantykoor het Gronings volkslied gezongen, daar in het hotel.”
Op hun terugreis wordt Jan halverwege Zweden geplaagd door een pijnlijke rug. In een klein dorpje belt Hendriks aan bij een ‘pensionat’. “In mijn beste Engels vroeg ik of ze nog kamers had. Ik kreeg in het Engels een antwoord terug, maar ik vroeg ook meteen of ze misschien uit Nederland kwam. Ze sprak net zo Engels als wij. ‘Jaa hooor.’ Kwam ze uit Garrelsweer, dat is hier één dorp verderop! Eigenlijk waren ze nog gesloten. Maar we kregen wel een kamer en ze maakte ook nog een pizza voor ons. Hebben we de hele avond geluisterd naar Hail Gewoon (de Groningse tegenhanger van Normaal, red.) en Rode Rinus Pedaalemmer en Ede Staal. En ze regelde ook nog kaartjes voor de boot voor ons.” “Trouwens, Hail Gewoon heeft ook ons clublied geschreven, Dales van De Dulles”, glundert Jan. “Dat is toch humor?”
De verhalen over hun reizen en ritten kennen een hoog Joe Bar-gehalte. “We willen wel zo hard mogelijk die bocht door.” Een mooie bochtige weg in een glooiend landschap, ergens in Duitsland, ‘waar nog bijna niemand komt’, nodigt uit tot een, zeg maar, sportieve rijstijl. De bochten zijn bovendien goed te overzien, schat Hendrik in. “Voor ons reed een auto, dus die haalde ik in. Een vriend van ons ook. Maar die auto raakte geïrriteerd en ging midden op de weg rijden. Jan ging ‘m toen rechts voorbij en twee dorpen verderop hadden we een peukenpauze. Kwam die auto er ook aan. Die komt verhaal halen, dachten wij. We waren ook gewoon fout. ‘Polizei!’ We kregen eerst een uitbrander, jongen…. Maar hij reed zelf ook motor en zei dat we het kalmer aan moesten doen.”
Tijdens een proefrit op een BMW F800S op een dijkje in de buurt van Rotterdam, drie weken nadat zijn eerste F800 total loss was geraakt toen een neef er achterop reed – ‘die ging ook een keertje mee’ – heeft Hendrik nog een onverwachte ontmoeting. “Omdat het zo ver weg was, wilde ik ook goed proefrijden. Dus ik reed hard, reed met de handen los om de stabiliteit te testen…. Maar ik wist niet dat ik werd bespied door een agent op een motor. Op een gegeven moment kwam hij er aan met het zwaailicht. ‘Weet je wel hoe hard je hier mag? En je reed ook met losse handen.’ Uitgelegd dat ik uit de buurt van Groningen kwam en waar ik hier voor was. Hij stapt af, wrijft onderlangs de motor. ‘Mmmm. Hij lekt geen olie’- en geeft me een hand: ‘Niet te hard rijden hier, want er gebeuren hier ook ongelukken’.”
Ondanks veel kilometers in meer dan drie decennia – Jan rijdt jaarlijks een kleine 10.000 kilometer, Hendrik komt tot zo’n 15.000 – maken de broers echter zelden brokken. “Wel eens gevallen, onder de vangrail doorgeschoven”, vertelt Jan. “Maar alles deed het nog.” Hendrik belandt één maal in het ziekenhuis terecht en wordt twee maal aan zijn schouder geopereerd. Als verkeersregelaar heeft hij een bijzondere confrontatie met een motoragent. “Ik moest achter hem aan rijden. Toen er een fietser aan kwam, ging hij bovenop de rem op z’n BMW. De remmen op mijn SV waren lang niet zo goed en ik rij bovenop die man. Zó de sloot in en ik er achter aan. Niet expres, welnee, man. Een jaar geleden word ik vlak bij mijn huis aangehouden door twee man terwijl ik van m’n werk in het Martini Ziekenhuis kom. Lekker aan het sturen. Ik zet m’n helm af, zegt één van die jongens ‘ah, MC De Dulles zelf’. Die kende ons van de wielerrondes.”
Het loopt goed af. Jan heeft een soortgelijk verhaal. “Een paar weken geleden, óók aangehouden. Ik zet m’n helm af. ‘Dales’, zegt die agent. Hendrik zet z’n helm af, en die agent: ‘nóg een Dales’.” Andermaal blijft de aanhouding zonder gevolgen. “Maar we reden niet zo hard, hoor.”
De huidige navigatiesystemen hebben de broers omarmd. Deels nemen ze echter het avontuur weg, constateren ze. “Zo waren we eens in Tsjechië toen de grens net open was”, herinnert Hendrik zich uit het pre-navigatietijdperk. “We reden een terrein op met fantastisch asfalt en prachtige bochten. Niemand kwamen we tegen. Tot we na een half uurtje opgewacht werden met geweren. Zaten we op militair terrein. Daar schrok ik toch wel even van.” “Ik niet, hoor”, zegt Jan. “Dat had ik in mijn werk al wel eens meegemaakt. In mijn beste Duits heb ik toen uitgelegd dat we daar niet bekend waren. Toen we uitlegden hoe ver we moesten omrijden als we weer terug zouden moeten, mochten we door.”
In Polen besluiten ze na in twee uur meerdere malen te zijn afgesneden het land te verlaten. Waarom ze in Polen belandden? “Daar zijn toch ook bochten?”

Talloze motoren passeren de revue sinds Jan en Hendrik hun rijbewijs behaalden. “Een stuk of achttien, negentien”, telt Jan. “Een stuk of negen GSX-R-en, een paar Yamaha RD350’s, een Kawasaki Z650, een Yamaha R1.” Met zijn BMW S1000RR is hij meer dan blij. “De zitpositie is ook goed voor mijn rug.” Niet allemaal bevielen ze even goed. “Ik moest voor iemand een accu halen en zag een F800GT staan met alle accessoires gratis. Ik dacht ‘die koop ik’. Drie weken gehad. Ik kon er niet op zitten.”
Hendrik, onder meer ooit eigenaar van een Suzuki SV650, een GS500E, een Kawasaki ER6F, ging ooit voor een kettingspray van huis. “Ik kwam met een VTR800 terug”, grijnst hij. Zijn Aprilia Shiver noemt hij ‘een geweldige stuurfiets’. Verstand van motoren hebben ze echter niet, interesse in techniek evenmin. “Daar heb je toch zo’n kerel voor die in zo’n garage staat?”, zegt Jan. “Carl Fogarty had ook nergens verstand van”, vult Hendrik aan.
En dat het misschien ooit een keer ophoudt, de spontane trips en stripboek-achtige belevenissen? “Komt tijd, komt raad. Moet je niet over nadenken”, zegt Jan, zelf arbeidsongeschikt, schouderophalend. “Het gevoel is nog steeds als dertig jaar geleden als we met elkaar op pad gaan en als vrienden ook mee gaan”, zegt Hendrik. “Alleen iedereen heeft een andere rugzak. De één is gescheiden, de ander is bezig aan een tweede leg, weer een ander is ernstig ziek.” “En daar hebben we het dan ook wel over, hè. Samen op pad heeft ook nog een sociale functie”, aldus Jan.
Plannen blijven ze daarom ook maken. “Ik zou nog wel een keer naar Amerika willen”, zegt Hendrik. Jan schudt zijn hoofd. “Ik niet. Het Isle of Man, daar zijn we nog niet geweest, dat lijkt me nog wel een keer wat. Misschien Hemelvaart 2020?”
“Ik denk dat de boten 2020 al wel vol zitten, hoor”, schat Hendrik in. “Nou. 2021 dan maar”, zegt Jan. “Ik ken daar nog wel iemand met een hotel.”

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.