+ Plus

Reizen Zuid-Amerika (2)

Op het moment dat we de rivier oversteken die Argentinië scheidt van Bolivia, rollen we uit een tijdmachine, recht de Middeleeuwen in. Vuilnis langs de weg. Zwerfhonden. Betonnen garages vol groenten en ongekoeld vlees. Scharrelende vrouwen in gekleurde rokken en wollen beenwarmers. Hun bolhoeden stevig op lange, bruine vlechten. Het lijkt alsof we een andere wereld zijn ingereden in plaats van een ander land. Na de stad kronkelen we over hoge bergen die staan begraven onder bomen. Urenlang rijden we door een overweldigende natuur, arriverend in een van de hoogste landen ter wereld.

De grensformaliteiten om Bolivia binnen te komen, zijn net zo streng als in Chili. Alles wordt gecheckt: paspoorten, verzekeringspapieren, chassisnummers, kentekenbewijzen en nummerplaten. Dan mogen we op weg naar ons project in La Paz, waar het hoofdkantoor huist van vierduizend kunstenaars en ambachtslieden die kleding, accessoires en tapijten vervaardigen volgens Indiaanse handwerktradities.

TARIJA-TUPIZA
Tarija is een wat grotere stad met toeristen, leuke bars en strakke spijkerbroeken, alhoewel de bolhoed nooit helemaal uit het straatbeeld verdwijnt. Naar Tupiza is het maar driehonderd kilometer. We kunnen omrijden, of dwars door de bergen. De paar centimeter bergweg op de kaart zijn gestreept aangegeven, als ‘highway in poor condition’. Hoe lang zullen we erover doen? Een uurtje of vijf, max? We besluiten om eerst rustig te lunchen voordat we eindelijk op pad gaan.
Op de eerste bergpas is de mist vanaf 3.500 meter zó dicht dat ik de afslag mis, waar ik pas achter kom in San Lorenzo, vijftig kilometer verderop. Dat is honderd kilometer om. Lees: twee uur en een halve tank benzine. Na de juiste afslag maakt het asfalt plaats voor stenen. Staand stuiteren we over de RN1, de ‘highway in poor condition’. Buiten een paar cactussen en een kudde alpaca’s komen we niets tegen.
Om vijf uur moeten we nog bijna tweehonderd kilometer rijden. De bergweg slingert opnieuw steil omhoog. De kliffen langs het smalle grindpad zijn indrukwekkend en zonder vangrail hebben we onbelemmerd zicht op het riviertje dat kilometers onder ons door het dal kronkelt. Achter iedere bocht verschijnt een volgende bocht. En een volgende. Met soms als verrassing een vrachtwagen die de hele weg opeist, waardoor er in een dichte wolk stof slechts een smal randje langs de afgrond overblijft. We kunnen niet harder dan dertig kilometer per uur. En dan zijn tweehonderd kilometers er veel.
Het wordt aardedonker. Geen lantaarnpalen, geen verkeer, geen verkeersborden, geen dorpjes, geen benzinepompen. Niets. Behalve sterren. Ontelbaar veel sterren, die we ontdekken wanneer we onze reservejerrycans aanspreken als de benzine op is.
Na negen uren mist, stof en stenen komen we aan in Tupiza en heb ik een van de belangrijkste lessen geleerd van kaartlezen in Bolivia: niet de afstand telt, maar het wegdek. Maar het hooggebergte van Bolivia heeft meer verrassingen voor ons in petto.

POTOSÍ
Komende van de subtropen in Argentinië is de plotselinge hoogte van Potosí een te grote verandering voor mijn lichaam. Ik ben duizelig, misselijk, heb tintelende vingers en de hoogteziekte trakteert me verder op een ongekende hoofdpijn. Terwijl ik op bed lig, bezoekt Irene het erfgoed van Potosí: een zilvermijn. Hoewel er niet veel zilver over is, zijn er nog 15.000 mijnwerkers aan het werk om tin te winnen. Op 4.100 meter is het zuurstofgehalte gehalveerd. Binnen in de mijn is dat nog minder. De gemiddelde levensverwachting van een mijnwerker is ongeveer veertig jaar. Irene ontmoet Carlos, die al meer dan twintig jaar werkt in veel stof en weinig zuurstof in een alles absorberend zwart gat. Zijn wang is gevuld met cocabladeren. De bladeren dempen honger-, dorst-, koude- en vermoeidheidsignalen. En misschien dempen ze het bewustzijn ook net genoeg.

SALAR DE UYUNI
Na een overnachting in Uyuni vertrekken we vroeg naar de zoutvlakte van ruim 10.000 vierkante meter op 3.650 meter hoogte. We rijden op een zandweg waar het opgewaaide zand zich heeft verankerd in golven. Het wegdek lijkt wel een wasbord. Nadat we binnen een kwartier van helm tot laars door elkaar zijn geschud, besluiten we zonder woorden om de heuvel op te rijden naar de ‘asfaltweg-die-bijna-af-is-maar-waar-nog-niet-op-gereden-mag-worden’.
Dan zien we Salar de Uyuni. Er ligt geen water. We rijden een witte, harde ondergrond op. Hard als asfalt. Het zout waar we overheen rijden is in grote zeshoeken uitgekristalliseerd, zoals uitgedroogde woestijngrond. Na tien minuten zien we tot aan de horizon alleen nog maar wit. Voor ons. Naast ons. In de spiegels achter ons. Tot zo ver ik kan kijken is de wereld wit. Witte oneindigheid. Afgebiesd door een blauwe lucht. We rijden naast elkaar over de immense witte vlakte. De motoren lijken klein in dit decor. De wielen lijken te zweven. Waar zijn we beland? Onze grijns zit opgepropt tussen onze wangkussens. Kijk ons nou rijden! Zomaar ergens op een plek in de leegte besluiten we te stoppen om foto’s te maken van dit fenomeen. Omdat we zonder GPS rijden houd ik de landrovers van de dagtrips in de gaten om te voorkomen dat we verdwalen. Evengoed ben ik opgelucht wanneer we op de juiste plek van het meer afrijden.

TOMINA
Van alle plaatsen tijdens de afgelopen 7.500 kilometer was dit de allerbeste plek voor een lekke band. Want ondanks de fles Slime en een bandencompressor, loopt mijn platte band niet vol. En dan bevinden wij ons slechts één kilometer verwijderd van het plaatsje Tomina.
Tomina: met een heuse ‘gomeria’, een bandenplakker, waar ik op Irene’s motor naartoe rijd.
Het mannetje zonder tanden wijst me naar de hoek van de straat, waar een man of acht in de schaduw op cocabladeren zit te kauwen. Ik rijd naar ze toe en vraag wie van hen een ‘mecánico’ is. Ze wijzen allemaal naar Rodrigo, die met goed fatsoen niet meer onder zijn vakmanschap uit komt. Onder luid gejoel van zijn maten, stapt hij dapper bij mij achterop de KTM. We rijden de kilometer terug naar Irene waar Rodrigo het achterwiel eruit haalt en we terugrijden naar het mannetje die mijn band vakkundig plakt. Daarna zet Rodrigo mijn wiel weer terug, veel sneller dan ons ooit was gelukt.
Het is te laat om onze weg te vervolgen. We slapen in Tomina, waar we een gevuld bord eten kopen voor 60 cent per persoon. Stilletjes worden we gadegeslagen door een meisje met donkerbruine ogen. We zien er zo anders uit dan alle vrouwen die ze kent.
Ons hotel is zowel dertig keer duurder als slechter. Het matras is zo dun, dat we de planken er doorheen voelen en het van ellende dubbelvouwen. En muggen! Irene is tot kwart voor vier ’s nachts bezig om onze kamer muggenvrij te maken en stopt als de teller op vijftien staat. Goed uitgerust’ voor de beruchte ‘Ruta del Che’.

RUTA DEL CHE
De volgende morgen staat het halve dorp weer toe te kijken. Het meisje met de mooie bruine ogen is er ook weer. Ik lach naar haar, maar dan draait ze haar hoofd verlegen weg. Ik zet mijn helm op, trek mijn handschoenen aan en start. Op het moment dat ik optrek, zwaait ze bijna stiekem terug.
Zodra we Tomina uitrijden is de weg onverhard. Een uur later zijn we in de jungle. Een geel, zanderig pad baant zich een weg tussen rotsen en bomen. Iedere bocht biedt vrij uitzicht op enorme dieptes, dichtbegroeid met allerlei soorten vegetatie. Het zal me niet verbazen als deze weg voorkomt op een ‘deadliest road list’, maar wat is het een genot om door zo’n ongetemde wildernis te rijden! We rijden uren zonder ook maar iets of iemand tegen te komen. Soms wat dieren, die vrij lijken rond te lopen en waarmee we het weggetje moeten delen. Koeien. Ezels. Alpaca’s. Bij een verlaten hutje scharrelen wat kippen terwijl een varken een modderbad neemt. ’s Avonds komen we aan in ‘La Higuera’: het plaatsje waar Che Guevara is geëxecuteerd in een schooltje dat nu is ingericht als klein museum.
De volgende morgen worden we gewekt door het getik van de regen. In dichte mist beginnen we aan Ruta del Che: de laatste route die Che Guevara heeft afgelegd, door glibberige modder langs open afgronden. Voor het eerst zijn er momenten dat we ons afvragen waarom we hier aan zijn begonnen. Dit is niet leuk meer! Als we aankomen in Samaipata, zijn zowel wij als de KTM’s van top tot teen bedekt met modder. Desalniettemin worden we welkom geheten in een goedkoop hostel waar de hospita’s hun deur wagenwijd openzetten voor de dirtbikes, die in hun woonkamer mogen overnachten. Nog geen nacht hebben ze buiten gestaan. Hoe verlegen Bolivianen ook zijn, hun gastvrijheid kent geen grenzen.

PARC NACIONAL AMBORÓ
Op de kaart staat een pennenstreek. Maar een streep is een pad! Vlakbij Santa Cruz de la Sierra rijden we het park in tot aan een brede rivier die we moeten oversteken. In het midden staan wat stokken die het meest ondiepe spoor aantonen. De Bolivianen die aan de oever een bad nemen, staan tot aan hun middel in het water. Zeiknat bereiken we de overkant, waarna we direct in mul zand terechtkomen. Na vijf uur zandploegen door de hete jungle arriveren we afgepeigerd in Buena Vista.
“Do you have a place to stay?”, vraagt een man ons vanuit zijn pick-up. Hij kan niet geloven dat we op vol bepakte motoren door het park zijn gekomen, hij durft er alleen doorheen op een quad! Hij is Iers, rijdt op een BMW GS en bezit het mooiste hotel van Buena Vista. Met zwembad. En met een kamer waar we gratis mogen slapen met werkelijk het mooiste uitzicht van Buena Vista!
De behulpzame Rodrigo was toch niet zo behulpzaam. Er mist een rubberen ring rond mijn wielas. Offroad is de speling me niet opgevallen, op asfalt kan ik niet plaatsen waarom mijn motor zo instabiel voelt. Spoorvorming? Wind? Is mijn achterband weer lek? Dan ineens verlies ik alle controle. Mijn achterkant zeilt weg. In een poging mijn motor overeind te houden beland ik op de helft van de tegenliggers. Die is vrij. Ik hoor een claxon. In mijn spiegel zit een auto. Ik zie alleen zijn motorkap, zo dichtbij is hij. Ik word ingehaald terwijl mijn motor de hele weghelft nodig heeft om overeind te blijven! In een reflex wil ik mijn achterrem gebruiken, maar ik besef dat mijn achterband geen grip meer heeft. Voorrem aanleggen. Voorzichtig. Ik rijd richting linker berm. Frontaal op een brommertje af. Ik wil hem ruimte geven, wil de berm in, maar vrees dat ik onderuit ga zodra ik het asfalt afrijd. Het brommertje wijkt uit. De auto rijdt me voorbij. Ik sta stil. Mijn hart begint vanuit stilstand zijn gemiste slagen in te halen. Irene heeft haar motor neergezet en rent naar me toe. Ze legt haar hand op mijn rug. “Goed gedaan!”, roept ze uit. Heel mijn lichaam trilt. Later vertelt ze dat ze mijn hartslag op mijn rug voelde, dwars door mijn motorjas heen.
De lekke band blijkt niet het grootste probleem. Het aluminium van remklauwhouder zit over mijn hele remschijf verspreid als gesmolten chocola. Hij is bijna doormidden! Een slijptol verwijdert de aluminium chocola van mijn remschijf. Vervolgens is er geen andere optie dan nog twee dagen door te rijden naar La Paz: de beste plaats voor een nieuwe remophanging.

LA PAZ
La Paz is met zijn 3.600 meter een van de hoogste steden ter wereld en wordt vaak in plaats van Sucre, genoemd als hoofdstad. In de meeste landen wordt een land geregeerd vanuit de hoofdstad. Bolivia vormt daar, net als Nederland, een uitzondering op. Er wonen meer dan 2,7 miljoen mensen, verspreid over 500 vierkante kilometer.
Hoewel Irene nog nooit last heeft gehad van hoogteziekte, zelfs niet in de Himalaya, wordt ze erg ziek in La Paz. Het kost haar enkele dagen om te acclimatiseren, waarna blijkt dat het onmogelijk is om een passende remophanging te vinden. Het onderdeel wordt vanuit Nederland naar ons opgestuurd.
In La Paz bezoeken we ons tweede project. We benaderen het hoofdkantoor van Red OEPAIC, een organisatie van handarbeidbedrijven in twaalf Boliviaanse steden, waar vrouwen kleding maken volgens oude handwerktradities als knopen, weven en haken. Moderne kleding, winteraccessoires en kleden gemaakt van alpaca-, lama- of schapenwol, met details van indianen patronen. In Bolivia zijn veel afstammelingen van Aymara en Quechua indianen. In El Alto, een voorstad op 4.150 meter, is dat zelfs 85% van de inwoners. Je herkent ze aan hun traditionele kleding: veel gekleurde rokken, beschermd door een geruit schort waarvan het rugpand de lange vlechten in bedwang houdt, met op het hoofd de onafscheidelijke bolhoed. Het is een straatbeeld dat we al vaak hebben gezien en we kijken er naar uit om met deze dames in gesprek te gaan.
Binnenin het atelier werkt Damiana. Zij is coördinator van het gemeenteproject om vrouwen de techniek bij te brengen van authentieke handwerktechnieken en heeft haar kennis ook overgebracht op haar 19-jarige dochter Jimena. Vanwege het inkomen van haar moeder kan zij nu studeren. Haar vader is alcoholist. Jimena komt ieder weekend naar huis en we spreken af om op zondag terug te komen om ook haar te spreken. We nemen de nieuwe gondelbaan die de stad verbindt en ontmoeten Damiana en Jimena in hun eenkamerwoning. Haar vader heeft ze al meer dan acht jaar niet gezien. Wanneer ik naar hem vraag, wellen de tranen op in haar ogen.
Irene en ik zien ze regelmatig liggen op de stoep: de borrachos. Zwervers in vieze kleren, hun roes uitslapend in hun eigen kots. Ik hoop van harte dat Jimena een ander beeld op haar netvlies heeft. Red OEPAIC biedt vrouwen de mogelijkheid om hun leefomstandigheden en die van hun kinderen te verbeteren. Vanwege donaties aan onze Stichting ‘Projects of The Riding Reporters’ kunnen we 800 euro schenken aan Red OEPAIC om hun prachtige missie in Bolivia te ondersteunen!

DEATH ROAD
Irene wil voordat we naar Peru rijden nog de Death Road doen. Ik niet. De gevaarlijkste weg ter wereld. Twee tot driehonderd doden per jaar. We hebben op de hoogste weg ter wereld gereden (India, Khardung La, 5.359 meter). De gevaarlijkste weg ter wereld hoort er eigenlijk wel bij… Irene laat me foto’s zien en de omgeving doet me watertanden. De weg begint in het hooggebergte en eindigt in het Amazoneregenwoud.
De Death Road is smal, bochtig en gaat steil naar beneden. De rotsige hoogvlakte maakt plaats voor een dampig, intens groen woud waardoor de smalle bergweg langs enorm diepe kloven slingert. Het is vreemd om naast je handvat te kijken en geen berm te zien, maar een ravijn. Hier en daar staan herdenkingskruisen. De ongelukken gebeuren vooral tijdens het passeren. Zelfs op de motor hebben we de passeerplaatsen nodig. Toch ervaren wij de weg niet als gevaarlijk. Eigenlijk zijn we alleen maar aan het genieten van de surrealistisch tropische omgeving met immens lange watervallen die de bergkloof in kletteren.
En dan gaat er toch iets mis. Doordat een taxi ons naar de weg heeft begeleid, maak ik een fout over onze positie op de kaart. We rijden en rijden maar door, zonder aan het einde te komen. Het wordt donker. Pikkedonker. Een uur geleden zijn we het laatste dorp gepasseerd. Misschien kunnen we daar eten en slapen. We keren om.
In het dorpje hebben ze koude kip en slappe patat, maar geen hotel. Het volgende dorp ligt achttien kilometer verderop. Onderweg begint het te regenen. De weg wordt glad en de tegenliggers verblinden ons ten teken dat ze ons zien. Drie kwartier later zijn we in het dorpje, maar ook hier is geen hotel. Inmiddels regent het zo hard dat het echt onverantwoord is om door te rijden. Ik ontdek een golfplaten afdak en grap: “We kunnen ook daar slapen.” Irene kijkt en antwoordt: “Ik vind het best.” We bekijken onze mogelijke slaapplek met hernieuwde interesse. Eigenlijk is dit niet eens zo’n gek idee!
We pakken onze luchtbedjes en slaapzakken en creëren onze openlucht slaapplaats. Daar liggen we dan in de stromende regen, onder een lekkend golfplaten afdakje. We kijken elkaar aan en krijgen pardoes de slappe lach. Dit kunnen toch alleen wij nog leuk vinden!

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.