+ Plus

Reizen: secundair retourtje Zuid-Frankrijk

Van de ene departementsweg naar de andere, van chambre d’hôtes naar chambre d’hôtes, er bestaat geen betere manier om het échte Frankrijk te beleven. Een weekje heen en terug richting ‘le Midi’ bevestigt wat we al langer wisten: Gods wegen zijn dan misschien niet de onze, die naar het Franse zuiden komen toch aardig in de buurt!

Net voordat de herfst zijn intrede doet nog even een weekje er op uit! Aan de Oostenrijker in de garage hoeven we niets te vragen, die wil altijd. Geen wonder, op de meer dan 2.000 kilometer aan zalige departementswegen voelt de KTM zich als een vis in het water.

Zoveel wegen, zoveel landschappen. Wie dwars door Frankrijk naar het zuiden rijdt, weg van de snelweg en de al even drukke ‘route nationale’, krijgt een schitterend mozaïek aan landstreken en departementen te zien. Gezapig toeren langs het vredig landschap van de Maas, sportief uitbenen tussen de plooien van de Jura of gezwind ontsnappen aan hordes toeristen boven de Gorges du Verdon, deze crème de la crème van Franse wegen laat geen enkele motorrijder onbewogen

Dat er niet altijd manna, maar ook miezer uit de Zuid-Franse hemel kan vallen, ondervinden we onderweg aan den lijve in de anders zo lieflijke Drôme. En dat terwijl het amper 7° is, niet helemaal het zonnige ritje dat we ons hadden voorgesteld. De Gerbier de Jonc, volgens kenners de mooiste berg van de Ardèche, mag in Sainte-Eulalie voor het grijpen liggen, toch duiken we maar al te graag het modernste café van het dorpje in. Geen sterveling in ‘Bar de l’Avenir’ die ons dat kwalijk nam.

Maar afijn, kleinigheidje want de weergoden zijn ons vanaf het begin uitzonderlijk goed gezind geweest. Zo heeft de zon staat hoog aan de hemel als we de kaart van Frankrijk zwierig opvouwen op het nog lege terras van brasserie ‘La Romanette’. Volgens mij is er geen beter plek om een reis naar de Provence te beginnen, dan in het beeldige Torgny, helemaal in het uiterste zuiden van België. Het dorpje, één van de mooiste van Wallonië, ligt pal aan het oudste deel van de Frans-Belgische grens en vangt flink wat zonuren vandaag. Goudgele huisgevels, holle dakpannen, een bebloemde lavoir (oude wasplaats) en zelfs enkele Bacchus-plantsoentjes. Dit ‘la petite Provence’ doet zijn bijnaam eer aan.

Niet veel later banen prachtige wegen zich een weg door het licht welvend landschap, dat zich met zijn weilanden en bossen van een opvallend groene kant laat zien. Het noordoosten van deze regio getuigt van zware industriële activiteit, maar elders krijgt de moegewerkte mens zeker wat hij hoopt te vinden in het Franse boerenbuiten. Dat vindt ook de KTM, die in het regionaal natuurpark van Lorraine, evenals in het stukje Maasvallei even verderop, de ideale weide ziet om zijn paardjes even flink te laten trappelen.

Het kruispunt van Europa, zo wordt Lotharingen wel eens genoemd, ligt er opvallend verlaten bij. Net nu de honger aardig begint op te spelen. Tot vier keer toe krijgen we het deksel op de neus, blijkbaar eet je in Frankrijk nog altijd niet wanneer je wilt. Met een croissant en chocoladekoek half achter de kiezen hijsen we ons grommend in het zadel. Niet voor lang, het 14e-eeuwse Château de Gombervaux mag zich namelijk op een bezoekje verheugen.

Hier in de buurt van Vaucouleurs zijn we ook zonder het goed en wel te beseffen in de geboortestreek van Jeanne d’Arc beland. Verkleed in jongenskleren en vergezeld door enkele ridders vertrok het arme wicht van hieruit op een tocht, die uiteindelijk eindigde op de brandstapel in Rouen. Haar geboortehuis staat in het naburige Domrémy-la-Pucelle, hele toeristenladingen wurmen zich in de veel te kleine woning van de heilige maagd. Vlug ontsnap ik daarom naar het belendend kerkje, waar Jeanne destijds nog boven het doopvont werd gehouden.

Met strenge, maar correcte hand voert de GPS me via alsmaar kleinere wegen naar onze chambre d’hôtes. Eenmaal aangekomen in Fayl-Billot staat onze gastvrouw al ijverig in haar pannen te roeren. Na het kaasbuffet van de Haute-Marne wordt er aan tafel nog stevig nagepraat, waardoor we te weten komen dat dit onbeduidend mandenvlechtersdorp het enige in Frankrijk is, waar je dit oude ambacht nog kan leren. Kijk, zo leer je nog eens wat! Logeren in een gastenkamer is wat dat aangaat zo veel meer dan enkel een kamer met ontbijt!

Een staalblauwe hemel doet ons motorhart alleen maar sneller kloppen de volgende ochtend. Met niet minder dan 300 ‘trage’ kilometers dwars door Frankrijks meest beboste regio voor de kiezen, hebben we geen tijd te verliezen. Toch moeten we amper zestig kilometer verder al aan de kant: het pittoreske Pesmes opent zo gastvrij de poort tot de Franche-Comté, dat er niet aan een koffiepauze te ontspannen valt. Geen slechte keuze, want het dorp in de vallei van de Ognon baadt in een gemoedelijke vakantiesfeer.

Ook aan het iets verder gelegen Arc-et-Senans kunnen we niet voorbij. De koninklijke zoutziederij aldaar is een gedurfd staaltje bouwkunde, zeker in de tijd van Lodewijk XVI. Claude Nicolas Ledoux ontwierp het halfronde complex met zijn directeurswoning en arbeidershuisjes als onderdeel van zijn utopische stad Chaux, dat echter nooit volledig van de grond kwam door het uitbreken van de Franse Revolutie. De impopulaire zoutbelasting was één van de eerste zaken die werd afgeschaft en Ledoux zelf verdween zelfs voor een jaar in de bak. De architectonische waarde van het complex werd evenwel gelukkig nooit onderkend en in 1982 kreeg de Saline Royale een verdiende plaats op de Unesco-lijst.

Van Ledoux gaat het in draf naar Pasteur. In Arbois, op nog geen halfuurtje rijden van Arc-et-Senans, stuiten we op de ouderlijke woning van de man die ons pasteuriseren en het vaccin tegen hondsdolheid gaf. Het wijnstadje zelf, en de wijnliefhebber in het bijzonder, hebben veel te danken aan deze Franse scheikundige. Louis Pasteur ontdekte hier namelijk dat de wijnsmaak deels wordt bepaald door de gistcellen op de druivenschil. Zijn wetenschappelijke benadering legde daarom de basis voor het hededaagse wijnprocéde. Toch zijn het hier niet zozeer de wijngaarden, maar de bossen die het uitzicht van de Jura bepalen. Kenmerkend voor dit oude bergmassief zijn de fameuze cirques, door gletsjers uitgeschuurde valleien die abrupt worden afgesloten door loodrechte kalkrotswanden. Vanaf het natuurlijk balkon naast de Auberge du Fer à Cheval krijg je daarbij het mooiste keteldal van de streek voorgeschoteld. Afstappen dus. Het water sijpelt niet alleen langs alle kanten door het karstreliëf, ook bovengronds laat het zich van zijn mooiste kant zien. Geldt ook voor de bergrivier van de Hérisson ter hoogte van Doucier, die als Cascade de l’Eventail trapsgewijs naar beneden valt. Klim je verder omhoog, dan kom je nog enkele watervallen en een veelvoud aan stroomversnellinkjes tegen. Een wandeling van drie uur voert je langs niet minder dan watervallen, de een indrukwekkender dan de andere.

Volledig in het leer gestoken laten wij die wandeling maar voor wat het is, ook er nu eenmaal nog wat waypoints in het verschiet liggen.

St-Claude staat bekend om zijn houten pijpen, wat wij vooral onthouden is de drukte in en rond de stad. In onze haast hieraan te ontsnappen genieten we dankzij de Col de la Faucille iets langer dan gepland van het uitgestrekte boslandschap op de grens met Zwitserland. Via de D25 zetten we de neuzen weer in de goede richting, om even later in Belleydoux de Jura in te wisselen voor het departement Ain.

Het is al donker wanneer we ’s avonds in Chanaz arriveren. Met 350 kilometer aan departementswegen achter de kiezen gaat een uitgebreide maaltijd er wel in. En we worden daarbij op onze wenken bediend: een candle light dinner aan de waterkant! Een welverdiende beloning, al zeg ik het zelf!

Gesitueerd in een middeleeuwse woontoren met zicht op het lieflijke Canal de Savières, logeren we waarschijnlijk in één van de meest authentieke kamers van het bijzonder dorp. Het gehucht is namelijk de historisch overslagplaatsje tussen de Rhône (koninkrijk Frankrijk) en het meer van Bourget (hertogdom Savoie) en staat te boek als ‘la petite Venise Savoyarde’. Veldheren, koningen, keizers en pausen heeft het strategisch gelegen dorpje zien voorbij zien trekken. Het amper vier kilometer lange Canal de Savières is lange tijd de belangrijkste verbindingsweg geweest tussen Frankrijk en Savoie en nog altijd verbindt het kleine kanaal de machtige Rhône met het grootste en diepste natuurlijke meer van Frankrijk. De stoomboten van weleer zijn vervangen door elektrische raderboten en pleziervaartuigjes, maar voor de rest heeft het plekje nog niets aan aantrekkingskracht ingeboet. Ook het Lac du Bourget fonkelt als een juweel tussen de omringende bergen. De vaart zit er lekker in en zo zien we van Aix-les-Bains weinig meer zien dan het tankstation, pas twee uur later, in het revolutiestadje Vizille, zet ik de KTM aan de kant. Een beschaduwd plekje bemachtigen op het overvolle terras blijkt een hele uitdaging, maar het geduld wordt beloond met het beste plekje van allemaal. Biedt namelijk zicht op de motor én op het kasteel waar ooit de wieg stond van de Franse Revolutie!

Zitten we in Vizille nog met onze neus op de moeder van alle revoluties, enkele tellen later al bevinden we ons in een compleet nieuw tijdperk uit de Franse geschiedenis. Ook al gaan we zoveel mogelijk voor regionaal asfalt, toch maken we graag een uitzondering voor de N85, beter bekend als Route Napoléon. Langs deze weg, dwars door de Provençaalse Alpen en daarmee buiten bereik van de koninklijke troepen in de Rhône vallei, haastte de verbannen Bonaparte zich opnieuw naar Parijs na zijn ontsnapping van Elba.

Een waanzinnige piste die uitnodigt tot hard knallen. Maar voorzichtigheid is geboden nu ook de arm van de Franse wet over de grenzen reikt en snelheidsboetes nog vóór het ansichtkaartje thuis in de brievenbus zit. Niet een muisgrijze flitskast of verstopte politiepatrouille roepen me tot de orde, maar het monumentale ruiterstandbeeld van de kleine Corsicaan langs de weg. Op het bijgaande bordje lees ik dat Napoleon op deze plek, zegge en schrijve 7 maart 1815, zijn hachje wist te redden door ongewapend op een bataljon soldaten af te stappen met de woorden: “Als er één onder jullie zijn generaal wil doden, hier ben ik!”. Stoutmoedig, maar doeltreffend!

Het landschap tussen Corps en Gap is van een ongekende schoonheid. De getande contouren van het Alpenmassief van de Dévoluy doen me meermaals naar het fototoestel grijpen. Even ten zuiden van Gap nemen we afscheid van de N85 en pakken de D900, een mooi alternatief voor het laatste stuk naar Digne. Al gauw ontvouwt zich een indrukwekkend panorama voor onze ogen met zicht op het meer van Serre-Ponçon, één van de grootste kunstmatig aangelegde meren van Europa dat schittert tussen de bergen. Ook hierna wordt het natuurschoon er niet minder op. Meerdere authentieke bergdorpen bevinden zich aan de voet van de Montagne de la Blanche en in het grootste ervan, Seyne-les-Alpes, gun ik de KTM een uurtje rust. Hoog tijd om wat indrukken te verwerken in een plaatselijke bar…

Toch kan ik niet Lang blijf ik echter niet zitten. Eeuwenlang vormden de bergen van de Blanche een natuurlijke grens met het hertogdom Savoie en dat zie je ook aan het versterkte dorp. Frankrijks beroemdste vestingbouwer bemoeide zich met de verdediging en nog altijd domineren het fort van Vauban, de middeleeuwse uitkijkpost en de romaanse kerktoren het zicht.

Goed en wel in het zadel zie dat de door de wolken verdrongen zon enkel nog wat fletse schaduwen op het asfalt gooit. De D900 blijft zich in allerlei bochten wringen en op minder dan 20 kilometer van Les Noisetiers, onze B&B aan de rand van Digne, neem ik bij het binnenrijden van La Javie nog snel een klein zijweggetje. Op goed geluk ga ik in het gehucht Chaudol op zoek naar de woning van de familie Roche. Op een tocht die me van de ene chambre d’hôtes naar de andere voert, kan ik toch niet voorbij aan het huis waarin de wieg van alle Franse gastverblijven staat? Uit eerbied voor de ingetogen stilte die er rond de boerenwoningen heerst, zet ik de motor aan de kant naast een bebloemde drinkbak. Het tweede huis met stenen buitentrap, typisch voor de Provence, blijkt meteen bingo te zijn. Dat vertelt me tenminste het marmeren gedenkbordje boven de deur. Op 5 februari 1951 openden Denise en Lucien Roche de allereerste Gîte de France in hun daartoe omgebouwde schuur. Iets wat ze 37 jaar lang zouden voldouden, zo herhaalt Denise me tot drie keer toe. Emile Aubert, bedenker van het concept, zag in de opkomst van het toerisme een oplossing voor de plattelandsmigratie na de oorlog. De ‘Congé payé’ en komst van de betaalbare 2CV zouden in de vijftiger en zestiger jaren tal van Parijzenaars een welverdiende vakantie onder de zon bezorgen. De ‘gîte rural’ van Denise en Lucien was een schot in de roos en andere formules met verblijf bij de eigenaar zouden elkaar in ijltempo opvolgen: chambres d’hôtes, gîtes d’enfants, Charmance, noem maar op… Van kleine charmante zolderkamertjes tot de luxueuze kasteelsuites, de formule is haast oneindig en stelt zelden teleur.

Goedgemutst kijk ik dezelfde avond uit over de lichtjes van Digne-les-Bains, hoofdstad van de Alpes-de-Haute-Provence. In drie dagritten van goed driehonderd kilometer zijn we toch een heel eind gekomen.

Behalve departementshoofdstad en kuuroord is Digne-les-Bains ook nog de hoofdstad van de lavendel. Bovendien ligt het in Europa’s grootste geologische natuurreservaat. Dit laatste is erg in trek bij fossielzoekers omwille van de rijke sedimentlagen. Een rondrit van een halve dag voert je desgewenst via de Route de Barles langs wielgrote ammonieten en prehistorische pootafdrukken terug naar Digne.

Een leerrijke excursie, ware het niet dat we in Digne met de Route Napoléon een oude bekende tegen het lijf lopen. Geen ammonieten of belemnieten dus voor ons, maar wel de duizelingwekkende kloof van Verdon, met zijn 700 meter één van de diepste van Europa en ongetwijfeld het absolute hoogtepunt van de Haute Provence. Dat Fransen wat chauvinistisch zijn aangelegd, mag bekend zijn, maar de vergelijking met de echte Grand Canyon is toch lichtelijk overdreven. Desondanks had de Franse speleoloog Martel wel gelijk toen hij in 1905 de kloof als ‘meest Amerikaanse van alle Franse ravijnen’ klasseerde. Twintig kilometer lang geeft de smaragdgroene Verdon inderdaad het beste van haarzelf, totdat ze uitmondt in het diepblauwe Lac de Sainte Croix. Wij doen er in omgekeerde richting via de Route des Crêtes en Corniche Sublime maar al te graag vijf keer langer over. Niet zonder eerst even af te stappen in het minstens even adembenemende Moustiers-Sainte-Marie. Het dorp behoort tot één van de mooiste van Frankrijk en biedt alles waaraan waar de Provence voor staat. Om te beginnen de spectaculaire ligging aan de voet van twee hoogoprijzende rotsrichels. Souvenirjagers en terrasjesgangers lopen hier elkaar voor de voeten. Dat kan ook moeilijk anders, want de meer dan een miljoen bezoekers die de Gorges du Verdon jaarlijks over de vloer krijgt, willen natuurlijk ook allemaal naar het middeleeuwse Moustiers. Dat de Fransen het in 2013 slechts op de 10e plaats zetten van hun meest geliefde dorpen, zal de buitenlander worst wezen. Met veel plezier sla ik het allemaal gade met een salade Niçoise voor de neus. Net als de ouderling achter het glaasje pastis, die de jaarlijkse toeristen bedevaart en zomerhitte met gemak lijkt te verteren. Met een volle maag en temperaturen die de pan uitswingen, pas ik wijselijk voor de 262 treden die zich als een kruisweg de bergflank opslingeren naar de kapel van Notre Dame de Beauvoir. Je wordt er weliswaar getrakteerd op een prachtig zicht, maar dat geldt ook voor de vele ‘points sublimes’ hoog boven de Gorges du Verdon. En aan het smekend smoeltje van onze Oostenrijker te zien komen deze geen minuut te vroeg!

De Gorges du Verdon tekent ons meest zuidelijke punt van de reis. Ook de weg terug verdient een minstens even mooi parcours. Haast hebben we niet, dus heb ik de koek opnieuw in drie hapklare dagetappes verdeeld. Meer van hetzelfde dus en toch helemaal anders, zo laat zich de rit door de imposante rotslandschappen van de Drôme, Monts d’Ardèche en Haute-Loire het best omschrijven. Heer en meester zijn we op de tussen lavendel en loof verscholen departementswegen. Niet dat er echt veel volk te bespeuren valt op bergpassen met toepasselijke namen als Col de l’Homme Mort of Col de la Croix de l’Homme Mort. Dat we door een streek met geringe bevolkingsdichtheid trekken, merken we ook aan de dorpjes onderweg. Een bistro met wat tafeltjes op het trottoir rijd je niet ongestraft voorbij. Sainte-Jalle, Châteauneuf-du-Rhône, Alba-la-Romaine of Sainte-Eulalie, het ene authentieke dorp mag dan wel iets groter zijn dan het andere, je moet toch goed kijken wil je ze vinden op de kaart.

Voorbij de ruwe bovenloop van de Loire komen we ter hoogte van Roanne in heel wat rustiger vaarwater terecht. Het sein om wat bourgondisch te genieten in prachtige cultuurstadjes als Autun en Semur-en-Auxois. Een kort bezinningsmoment aan de eeuwenoude cisterciënzermuren van de abdij van Fontenay en daar lonken al de aardse genoegens van de golvende Champagnestreek. Met nog een aantal mooie kronkelwegen door de Franse Ardennen schrijven we het laatste departement van deze reis, nummer 24, bij in het logboek. In het grensstadje Rocroi eindigt de laatste trip van alweer een mooi motorseizoen. Uiteraard in stijl, meewarig slurpend aan een grand café au lait namelijk!

FRANKRIJK

Ruim 380.000 kilometer aan departementswegen doorkruisen de ‘l’hexagone’ tot in de verste uithoeken. Dankzij Napoleon allemaal netjes genummers, al is de logica van de telling nu tweehonderd jaar later ver te zoeken, al was het alleen al omdat elke D-weg van nummer verandert zodra deze de grens met een ander departement overschrijdt. Wat ze gemeenschappelijk hebben? Ze voeren door uitgestrekte, doorgaans schitterende landschappen en brengen daardoor iedere motorrijder in vervoering.

Ligging: Midden-Europa

Buurlanden: België en Luxemburg (noorden), Duitsland, Zwitserland en Italië (oosten), Spanje, Andorra, Monaco en Middellandse Zee (zuiden) en Het Kanaal, Atlantische Oceaan en Golf van Biskaje in het westen.

Hoofdstad: Parijs (2,2 miljoen inwoner)

Afstand vanaf Utrecht: 470 km

Oppervlakte: 551.500 km² (13,5 keer Nederland)

Inwoners: 62,8 miljoen

Hoogste punt: Mont Blanc 4.811 meter

Taal: Frans

Schrift: Latijns

Valuta: Euro

Tijdsverschil: geen

Klimaat: variërend van een landklimaat in de centrale gebieden, tot een mediterraan klimaat in het zuiden en een hooggebergteklimaat in de Alpen, tot ons eigen gematigde zeeklimaatje. Kortom, voor elk wat wils.

Onderdak: diversiteit waar het op overnachten aankomt, Frankrijk is namelijk 40.000 chambres d’hôtes rijk. Typisch Frans zijn ze, deze gastenkamers, en daardoor ideaal om de ziel van het land te leren kennen. Een warm onthaal, een gezellige babbel, lekker eten en een goed bed, precies wat je zoekt na een dag intensief sturen. En over je motor hoef je het hoofd ook al niet te breken, niet zelden krijgt je lieveling een plaats in de garage of schuur van je gastheer. Logeren in een chambre d’hôtes, voelt een beetje als thuiskomen!

Route: ruim tweeduizend kilometer aan uitermate fraaie D-wegen leiden je in zeven dagen van Noord- naar Zuid-Frankrijk en weer terug. De route is voor zowel Garmin als TomTom navigatiesystemen te downloaden van onze site www.motoplus.nl/toeren.

Beste tijd: zomermaanden, met name de voor- en nazomer

INTERNET
www.rendezvousenfrance.com
www.tourisme-hautemarne.com
www.rhonealpes-tourisme.com
www.tourismepaca.fr
www.tourisme-champagne-ardenne.com

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.