+ Plus

Reizen Langs de Britse kust

Geloof het of niet, maar vanuit de lucht heeft Groot-Brittannië iets weg van een heks op een varken. Cornwall heeft de poten, Zuid-Wales de neus, de achterkant is het oosten van Engeland en West-Schotland is de ellendig gebarsten frons van het gezicht. Tijd om dit nogal opvallende contour eens vanuit het zadel te ontdekken, tijd voor een rondje Groot-Brittannië dus!

De Britse kustlijn heeft vele gezichten, dan weer sprankelend, dan weer industrieel grimmig. Of het is gewoon de zee met kiezels en zand, en soms een kraakblauwe lucht. Steden als Liverpool, met haar vingervlugge straatleven, zijn bijna monumentaal, terwijl andere gepasseerde steden al vergeten zijn. Bepakt met enkel wat kampeerspullen en camera’s draai ik vol enthousiasme de sleutel van mijn Yamaha Ténéré om. Bij het verlaten van mijn woonplaats Machynlleth rij ik om de nabijgelegen heuvels, die ik maar al te goed ken. Voorbij Barmouth maak ik me zo klein mogelijk om snel richting de Great Orme te rijden. Daar voorbij is er zoveel zee dat de lucht zo fris voelt als door de wind gedroogde was. Kronkelend over het schiereiland Wirral, geplooid tussen de Mersey-rivier en zachtere Dee-rivier, voelt het groen en stil. Het leuke van motorrijden is dat je kunt gaan en staan waar je wilt, dus besluit ik naar het koninklijke en funky New Brighton te gaan. Het reizen naar dergelijke steden haalt het kind in me naar boven en doet me vergeefs zoeken naar wat het is dat een plaats als deze doet sprankelen. Op zoek naar het centrum van het nabijgelegen Birkenhead rij ik langs gebouwen met rood metselwerk, verwoest door de tijd. Ik ga door naar Barrow en daarachter Blackpool. Iedereen die ik hier ontmoet noemt me “Love”. Hier is het niet “How do you do Mr. Sanders?”, maar eerder “Hello Nick, love.” Voeg daar “Pet” en “me-duck” aan toe en je krijgt het gevoel dat iedereen je aardig vindt en je bijna dwingt om ooit nog eens terug te keren.
Ik kampeer verderop in Cumbria, waar de Western Lakes de wegen in ontelbare bochten plooien. Het geluid van het CP2-blok van de Ténéré wordt weggezogen in de grote groene heggen, de geur van houtachtige schors streelt daarbij de neusvleugels. Ik zet weer koers richting zee, om via Silecroft, Seascale, Sellafield en St. Bees verder langs de kust te rijden. De kilometers vorderen gestaag, tot de inwendige mens wat onrustig wordt. Tijd voor een pauze en een broodje met bacon op het strand.
De Ténéré, een klein strand en wat eten. Veel meer is er niet nodig om geluk te ervaren. In de verte drijft het eiland Man in de mist, alsof het richting de zee zweeft. Achter me kust Black Combe Mountain de donkere wolken. Vele uren later lig ik in mijn tentje in Greenock. Het is fris buiten en ik slaap slecht.

Glasgow laat ik de volgende dag links liggen, liever ga ik naar de boorden van Loch Lomond. De schitterende omgeving ervaar je het beste vanuit het zadel van een tweewieler, alsof je er deel van bent. Dat is met een auto of camper toch heel anders. Verder richting noorden brengt de Skye Bridge me naar Portee, waar ik in een koffietentje aan de haven tot rust kom dankzij onderhoudende café-gesprekken. De Britse kust laat zich van een steeds grilliger kant zien. Kijken, ruiken, voelen, alles wordt sterker met elke bocht in de weg, die vaak niet breder dan een treinspoor is. Voor mijn gevoel zweef ik door de bergen, met boven me de zon die schijnt en wolken in suikerspin-roze kleuren. Zwermen grijze ganzen lijken met me mee te trekken, terwijl de stilte af en toe wordt onderbroken door een harde ‘kark’ van het bekende Schotse sneeuwhoen.
De Ténéré baant zich een weg over de Bealach na Bà, de befaamde bergpas op het Schotse schiereiland Applecross. Hoe hoger ik kom, hoe meer mijn hele lichaam begint te trillen, totdat ik over de bergtop terug naar beneden kronkel richting Applecross. Ik zie een glimp water, zacht gestreeld door de zon. Daarna vlieg ik langs het kleine dorp om vervolgens enkel de ankers uit te gooien waanneer gaten in het wegdek me daartoe dwingen. Het gas gaat open en ik stuur de buitensporig mooie bochten in, hopend dat deze weg richting Shieldaig nooit eindigt. En tot mijn verbazing doet ‘ie dat ook niet.
De kustweg verder richting het noorden, met de eilanden Lewis en Harris in het vizier, is amper één motorfiets breed en onderdeel van de beroemde (830 kilometer lange) North Coast 500. Ik stop even om een blik op de zee te werpen, die hier wel wat wegheeft van een verfrommelde kaart. De Ténéré tikt nog wat na, terwijl ik voldaan maar tegelijkertijd ook wat gedesoriënteerd het zeelandschap in me opneem. Het is extreem stil hier, enkel het gefluit van een vogel doorbreekt af en toe de stilte.

Er waait een warme wind, die zich om de kale heuvels langs Loch Eriboll aan de noordkust van Schotland wikkelt. De huizen liggen hier zo ver van elkaar, dat ze ieder een eigen postcode hebben. De afgelopen dagen heb ik een strakblauwe lucht boven me gehad en vaak de weg helemaal voor mezelf alleen. Het uitzicht is als in een film. Een helder licht strekt zich uit over zee, reflecteert en geeft de wereld een fraaie glans. Het ontbreken van menselijke invloeden geeft het landschap een desolate uitstraling, dieper dan waar ook in het Verenigd Koninkrijk. Hier in de verlaten wildernis word je tijdens het rijden ondergedompeld in een omgeving met heide, brem, rotsen, stormachtig weer en wolken. Alles komt over me heen in deze soms bijna absurdistische tocht, misschien wel de mooiste ter wereld.
De weg, inmiddels zo breed als een auto, leunt tegen de kust van een zee of dat van een of ander meer. Een humeurige lucht dreigt met een donkere horizon, de sterke wind over de grijze weg dwingt me om tegen te sturen. Ik rij niet hard, maar bomen razen voorbij terwijl ik de bochten aaneen rijg. Een deken van regen bedekt de vlakke vallei ten oosten van Durnes. Een mozaïek van heide, mos, moeras en kleine paarse bloempjes kenmerkt het landschap. Een preachtige plek, waar ik besluit om de nacht door te brengen.
Tijdens het laatste deel van de reis heb ik weinig tot geen mensen ontmoet, omdat ze er simpelweg niet zijn. Althans, bijna niet. Onderweg tref ik nog wel een jonge knaap genaamd Jack. Ik stop ergens om naar het uitzicht te kijken, wanneer hij net terugkomt van de zee met een zak vol mosselen. Hij opent er eentje en eet deze vervolgens rauw op. Na een sigaret vertrekt hij weer huiswaarts, de rest van de maaltijd gaat wel gekookt worden, zo weet hij nog te melden. Terwijl ik langs de istmus van Tongue naar beneden rij dringt de sterke zilte zeelucht mijn helm binnen. Zo intens dat ik de zee bijna kan proeven.
Het vinden van bijzondere plekken waar je nieuwe herinneringen maakt, is een van de mooiste facetten van het reizen in mijn ogen. Dat besef ik ook bij Bettyhill, een gehucht van slechts een paar huizen met uitzicht op de Orkney-eilanden. Vanwege de koude en rauwe weersomstandigheden besluit ik even een winkeltje in te duiken. Binnen is het warm met rustgevende aroma’s van specerijen en ruwe kruiden. En dan zijn er ook nog rekken met zeldzame whisky’s en gin, die me helemaal met een gevoel van gelukzaligheid vervullen.

Verderop in het dorpje John O’Groats is koud, nat, winderig en leeg. Ik ga verder in zuidelijke richting en laat me door de vloeiende bochten van de A86 naar Fraserburgh leiden. De vele velden worden veelal bevolkt door vieze, grijze schapen, terwijl hier in de hooglanden de koeien stil staan als standbeelden. Het uitzicht wordt gekenmerkt door een mengelmoes van kastelen en ommuurde tuinen, en bij Portsoy door de 17e-eeuwse haven. Steeds meer mensen zijn onderweg en wagen zich in één van de talrijke cafés, corona steeds meer op de achtergrond dwingend.
Toen de Humber Bridge werd gebouwd waren de torens aan elkaar verbonden door het langste (enkele) span ter wereld. Twee kilometer van kust tot kust en nu, in een vochtige nacht, vecht ik tegen de sterke zijwind die koud opstuwt vanaf de stormachtige zee. Met Hessel achter me en de lichten van Barton on Humber knipperend op de zuidoever, begint de rit langs de boorden van Groot-Brittannië steeds meer vorm te krijgen. Hoewel Groot-Brittannië? Het is eigenlijk Klein-Brittannië, wanneer je het op internationaal niveau bekijkt. Als natie hebben de Britten een soort van privé-gevoel, uiteraard verbonden met het gegeven dat Groot-Brittannië een eenzaam eiland in het midden van een lege zee is. Zo langs de kust rijdend begrijp ik dat gevoel wel.
Engeland is vlak en grijs, waar bovendien de zomer op de bonnefooi langskomt. Het is geen Toscaanse droom, maar wanneer de warmte er is, doen het groen en blauw me denken aan een goed geordende tuinderij. In het zuiden is de kust werkelijk fantastisch, maar wordt de rijervaring verstoord door teveel auto’s op zoek naar ruimte, die er simpelweg niet is. De wegen voorbij Christchurch nodigen uit om hard te rijden en bijna krijg ik daarvoor in een bocht de rekening gepresenteerd. Het gaat maar rakelings goed. Ondanks het feit dat Zuid-Devon een gebied van uitzonderlijke schoonheid is, is er bijna geen stukje meer dat niet in stukken gehakt en opgeëist is. Omdat de weg verder landinwaarts gaat en pas voorbij Plymouth weer richting de kust afbuigt, besluit ik om via Looe, Fowey en Lizzard Point naar uiteindelijk Lands End te gaan.
De Britse zuidkust, zoals ik me hem van een paar jaar terug herinner, was taai, vervallen en verwaarloosd. Engelsen verkozen Torremolinos en de bistro’s aan de Costa Blanca boven hun eigen kust, en dat was te zien. Zonde, de stranden hier werden vroeger overspoeld met toeristen, emmer en schepje, patat en ijs waren synoniem voor de streek. Devon heeft op een zonnige dag als deze een enorme aantrekkingskracht, toch geef ik me niet over aan deze verleiding. Ik wil hier in de buurt namelijk wat anders bezoeken. In het noorden van Devon woont namelijk een familie die eigenaar is van de Brough Superior UL 656, die in 1929 nog T.E. Lawrence (Lawrence of Arabia) toebehoorde. Tony Hockin erfde het van zijn vader en wil het, ondanks het aantrekkelijke prijskaartje van één miljoen euro, nooit te koop aanbieden. Als ik er eenmaal op zit, dwalen mijn gedachten bijna automatisch af naar het Baron Hotel in Aleppo. Een hotel waar Lawrence vaak verbleef.

Na mijn bezoek aan de Brough Superior rij ik door naar Dr. Paddy Hook, oud-monteur van Kevin Schwanz. Na een GP-carrière stortte hij zich op de bouw van extreme, explosief sterke hill climb motoren. Een van zijn bijzondere creaties, met de treffende naam ‘No Compromise – The spirit of Semtex’, gaat compleet blanco door het leven. Simpelweg omdat verf volgens Paddy ‘teveel weegt’. Het is een genoegen om naar zijn verhalen te luisteren, ondanks dat ik er lang niet alles van begrijp. Dat er veel Cosworth onderdelen in zitten, dat gaat er nog wel in, maar bij ‘verlaging van het polaire traagheidsmoment’ raak ik het technische spoor toch licht bijster.
De industriële stad van Port Talbot is in de regen een verfrissend alternatief voor het gepolijste zand en de zee. Met haar authentieke pubs en vele restaurants voldoen plaatsen als deze aan het stereotype beeld van Engeland. Verderop zet ik nog een keer mijn tentje op, eet bonen en slaap slecht, omdat mijn zelfopblazende luchtbed (zoals altijd) lek is gegaan. De volgende dag bepak ik de Ténéré weer om de route te vervolgen naar Saundersfoot. De wegen hier hebben een hoffelijkheid die tekenend is voor heel Pembrokeshire en worden geflankeerd door cafés die Shoreline en Periwinkle heten. Als de zon dan ook nog tevoorschijn komt, laat Zuidwest-Wales zich helemaal van een bijna glorieuze kant zien.
Ik ben inmiddels bijna thuis en ik bevind me op een weg die het rijden tot een soort van gemotoriseerde Russische roulette maakt. Hoge heggen onttrekken het verloop van de weg volledig aan het zicht, dus om de Ténéré in z’n rode gebied te hijsen lijkt me geen verstandig idee. De kustweg is voornamelijk verbonden met onbekende dorpjes en iets grotere steden, waar voornamelijk spullen worden verkocht om gaten mee in het strand te graven en mee op de zee te drijven. Het is alweer de laatste dag, ik ruik thuis al. Eigenlijk heb ik daar nog helemaal geen zin in. Liever zou ik me overgeven aan die bekende uitspraak in de kroeg: ‘Nog één rondje dan!’

Direct meer lezen? Neem een jaarabonnement
  • Direct toegang tot het digitale archief met meer dan 350 magazines.
  • 24 uitgaven per jaar
  • Elke twee weken thuis in de bus
Direct toegang aanvragen
Een jaar MotoPlus voor slechts 49,50

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het ios icon icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin
Motoplus app
en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.