+ Plus

Reizen Bolivia

Een ervaren globetrotter neemt een jonge studente mee voor haar eerste reis door Zuid-Amerika. Dat is al een avontuur op zich en wel voor beide. Wanneer het opvallende duo dan ook nog eens dwars door Bolivia rijdt, staat de boel al snel onder hoogspanning.

Het aardedonker wordt plotseling verscheurd door een felle straal licht. Wat is dat in hemelsnaam?!? Een UFO, die zojuist midden in de Boliviaanse bush is geland? Het felle, verblindende licht lijkt in ieder geval niet van deze wereld afkomstig. In de tweede versnelling, net iets boven stationair toerental, met een beschermende hand voor de ogen, valt het niet mee om de zwaar bepakte motorfietsen op de grove ondergrond goed in balans te houden. Nog een paar blinde meters en we hebben het gered, de bron van het buitenaardse verblindende licht passeert en….
Luid geschreeuw, er beweegt iets in de schaduw. De ogen wennen weer langzaam aan de lichtomstandigheden en ontwaren soldaten in camouflage-uniformen. Een groep tot aan de tanden bewapende mannen dwingt ons met geheven wapens tot stoppen. Ze gaan in twee groepen om ons heen staan en maken met wilde armgebaren duidelijk dat we moeten afstappen. Verblind door een in de ogen schijnende krachtige zaklamp, zien we alleen de op ons gerichte geweerlopen nog maar als plots het bitse “Pasaporte!” klinkt. Nee, deze mannen van de drugspolitie zijn verre van goedgehumeurd. Erger is dat ze ronduit nerveus zijn! Dat heeft zo zijn effect op de staande gehouden personen. En dat zijn wij, Madi en ik!
Nadat ik mijn paspoort weer in mijn handen heb, laten de soldaten me zittend op mijn motor achter in de duisternis, die me meteen omsluit. De tanktas vlak voor me is in het donker nauwelijks te zien. Ik ben op van de zenuwen en zou niets liever doen dan zachtjes huilen…. Maar als ik naar boven kijk, wordt mijn woede verdrongen door de fantastische sterrenhemel en vergeet ik alles om me heen.
Ach ja, Madi wordt achter me nog steeds verhoord en waarschijnlijk maakt ze van de gelegenheid gebruik om haar Spaans wat bij te schaven. “Hey Madi”, roep ik, “kijk eens naar boven naar die geniale sterrenhemel!”

Draait hij nu compleet door? Ik word hier door tien mannen omringd, heb een doorgeladen wapen voor mijn gezicht en nu moet ik ook nog naar de sterrenhemel kijken? Een soldaat brult me met onverholen stem toe: “Wat doet een 23-jarige vrouw uit Europa midden in de nacht aan de Boliviaanse grens? Met een Braziliaanse motor ook nog?”
Ja, dat is in ieder geval een goede vraag. Wat doe ik hier eigenlijk? “Heeft u een wapen bij zich?” ”Nee!” ”Heeft u cocaïne bij zich?” ”Nee!” Twee soldaten beginnen aan me te rommelen en tasten mijn hele lichaam af! Godzijdank heb ik dikke motorkleding aan. Na wat gevoelsmatig meer dan een half uur duurt, volgt eindelijke het verlossende: “Usted puede pasar!” We mogen verder rijden. Eindelijk! Ik adem diep in en kijk opgelucht naar boven. Wow! Die fonkelende sterrenhemel is inderdaad beeldschoon.

Na deze bevrijding rollen de 50 kilometers naar Villamontes als vanzelf onder onze grof genopte banden door. De eerste vorm van beschaving die we in Bolivia tegenkomen, verwelkomt ons met gedimde straatverlichting en een klein hotel, dat na de ervaring van de afgelopen avond de bescherming van een vesting lijkt te bieden. Het oprijden van de binnenplaats voelt als een warm bad van veiligheid. Eerst eens rustig op adem komen en langzaam weer tot ons zelf komen. De volgende ochtend bespreken we hoe we verder gaan rijden. Na de mammoetetappe van meer dan 500 kilometer, eigenlijk veel te lang voor Zuid-Amerika, gebruiken we de ochtend om weer een beetje op krachten te komen. Het volgende doel is Tarija, de provinciehoofdstad, die al in de uitlopers van de Andes ligt, maar nog op een verdraaglijke hoogte van 1.873 meter. Dat ligt slechts 240 kilometer verderop, dus dat is goed te doen. Zou je denken! Want hoe kom je uit een stad waar verkeerslichten niet bestaan, het navigatiesysteem de weg niet kent en er verder ook geen kaarten voorhanden zijn? Doorvragen! En dat kost even tijd.
De eerste kleine klim voert ons direct langs een steile rotswand naar een smalle canyon. Geen vegetatie, kokende hitte, stoffige woestenij, temperaturen van rond de 42 graden, in de schaduw. Maar er is geen schaduw! Alleen dikke keien op het pad en ergens ver in de diepte een klein beekje. Vangrails of iets dergelijks is nergens te bekennen. De Camino de la Muerte, de dodenweg, van La Paz naar Coroico, heeft in de hele wereld een beruchte reputatie en dat boezemt angst in. Dat doet deze weg van Villamontes naar Entre Rios ook. Hier in Bolivia verdienen eigenlijk alle bergwegen het predicaat ´dodenweg´. Ieder klein foutje kan hier een dodelijke afloop hebben. De lol is in ieder geval ver te zoeken. Ik vraag aan mijn jonge reisgenote hoe het haar vergaat. Het antwoord uit haar helm klinkt als het blazen van een woedend poemawelpje: “Rij nu maar!”

Wat wil hij nu weer van me? Ik heb mijn handen al vol aan mezelf. “Laat je nu niet afleiden en concentreer je liever op de weg!”, probeert het stemmetje in me te zeggen. Ik zit al de hele dag op hartslag 180, terwijl hij me had beloofd dat het rijden vandaag juist makkelijker zou worden. En nu staat er een enorme vrachtwagen dwars op de weg. Aan de dalkant is nog een stuurbreedte ruimte. Daniel gaat eerst, houdt een paar tellen de binnenzijde aan, geeft gas en is er langs. Lieve help!
Ik adem diep in, verzamel al mijn moed en rijd stapvoets langs de vrachtwagen. Nu niet naar beneden kijken. Niet doen! Hoe diep het hier naar beneden gaat? Help! Nog nooit eerder heb ik in zo’n diepe afgrond gekeken. Minstens 300 meter! Steil bergaf. Door mijn lage snelheid, de blik in de peilloze diepte en mijn gigantische angst wordt de motor even instabiel. Ik kom echter rap weer bij zinnen, geef gas en schiet tussen de vrachtwagen en de afgrond door. Daarna ben ik echt even klaar en tril over mijn hele lichaam, maar Daniel rijdt alweer verder….

De etappe duurt maar voort. We vorderen slechts langzaam en hebben het zwaar met het vele stof, de afgronden en de roekeloze vrachtwagenchauffeurs. Ze remmen niet voor kleinere voertuigen, dus moet je er altijd op bedacht zijn om heel plotseling naar een uitwijkplek te kunnen sturen. Dat is echt van levensbelang hier, helemaal als je rechts langs de afgrond rijdt en de vrachtwagens links naast de wand. Dat kost tijd – en kracht. Tarija gaan we vandaag niet meer halen. Gelukkig is er nog een klein stadje halverwege. En twintig kilometer voor dat plaatsje wordt middels een groot billboard reclame gemaakt voor Hotel Plaza in dat stadje. We zijn gered! Een plaats, een hotel, voor het donker bereikbaar, wat wil een mens nog meer?
Nou, een kamer in dat hotel bijvoorbeeld. Maar het blijkt helaas volledig vol geboekt. Het hotel wordt bevolkt door groepen grondstoffendelvers, die in dit deel van Bolivia op zoek zijn naar alles waar geld van te maken is. Mineralen, metalen, gas…. De hoteleigenaar heeft liever niet dat we in een slaapzak op de binnenplaats overnachten en raadt ons een eco-lodge, zo’n tien kilometer stroomopwaarts, aan.
We moeten ons haasten, het wordt snel donker. Bij het laatste licht buigen we achter drie voor ons rijdende vierwiel aangedreven pick-ups van de hoofdweg af, een landweggetje in, dat bij een doorwaadbare plaats eindigt. Alhoewel doorwaadbaar? Het wit schuimende water spoelt woest over de motorkappen van de hoogpotige Toyota’s. Met de motor hebben we geen schijn van kans om hier doorheen te komen, dan staat het water ons letterlijk tot aan de lippen! Maar aan de andere kant zien we in de ondertussen zwarte nacht de lichten van de lodge bovenaan de helling. We besluiten alleen het meest broodnodige aan bagage van de motoren af te halen en te voet de rivier over te steken. Met de motoren hadden we nu in ieder geval al ergens vijftig meter stroomafwaarts gelegen….

Kan het niet eens een keer één dag soepel lopen? Na deze horrorroute wil ik niets liever dan lekker slapen. Maar in plaats daarvan vecht ik me in een donkere nacht met mijn bagage naar de overkant van een wilde en ijskoude stroom. Het komt met tot aan de heupen, kletsnat is een misplaatste uitdrukking. Drijfnat stappen we de lodge binnen. Het ruikt er naar braadworst en verse aardappelsalade. Waarschijnlijk hallucineer ik nu. Maar nee, de gasten eten het daadwerkelijk. De eco-lodge wordt bestierd door een Duitse en ik wil haar voeten wel kussen als dank voor het fenomenale eten – eindelijk een avond zonder het eeuwig eentonige rijst met bonen.

Van Tarija naar Potosi wacht ons 350 kilometer aan prachtige, uitstekend geasfalteerde bochten, net zo mooi als in de Alpen. Asfalt, met name in gekromde vorm, kan een enorme zegen zijn. We genieten onbedaarlijk van deze innige bochtendans. Maar zo mooi als de aanrijroute was, zo grauw verwelkomt de verkommerde mijnstad Potosi ons. Door de ligging op meer dan 4.000 meter hoogte krijg je hier al snel barstende hoofdpijn. En dat wordt erger als je beseft met welke primitieve middelen de arme bergmensen hier de laatste restjes uit de al uitgeputte en lang geleden verlaten mijnen proberen te halen. De inwoners zijn logischerwijs door verdriet getekend en de stemming is bedompt. Vreemden zijn hier niet echt welkom. Dat merken we heel duidelijk op de Indio-markt. Als we willen fotograferen, worden we uitgescholden. Wegwezen dus. Maar dat gaat minder makkelijk dan gezegd. Mijn GS wil niet starten! Uitgerekend hier!

Dani pakt mijn motor en gaat op zoek naar een vervangende accu. Mooi is dat, nu sta ik hier alleen en verlaten bij zijn dikke GS en moet ik hem ook nog bewaken. Een paar Bolivianen blijven staan en staren me aan. Hebben die nog nooit een blonde vrouw gezien? Of komt het door de dikke BMW? Maar ik heb hier al ergere dingen meegemaakt. Ik zet mijn meest boze blik op en check hem snel in de spiegel van de GS. Wow! Niet slecht, vind ik, en kijk de vele gapende mannen vastberaden in de ogen. Na een half uur het ‘boze-blik-spel’ volgehouden te hebben, hoor ik mijn trouwe XT weer aankomen. Daniel heeft een kleine brommeraccu gevonden. Ik heb er weinig vertrouwen in, maar we moeten het er mee doen. Wonder boven wonder komt de boxer er weer mee tot leven, eindelijk kunnen we uit deze verschrikkelijke stad verdwijnen – en kunnen mijn gezichtsspieren zich weer ontspannen.
Wat kruipt daar zo traag over het door de hitte schitterende asfalt? Bij een gangetje van 100 km/uur zie ik veel te laat dat het gigantische vogelspinnen zijn, die ik nog maar net kan ontwijken. Door de luchtstroom van mijn koffers worden de beesten hoog de lucht in gezogen en vliegen ze Madi zo groot als een dinerbord uitgespreid om de oren!
Aaaahhh! Een gigantische spin vliegt op slechts tien centimeter afstand van mijn vizier voorbij. Boah, wat een reusachtig beest! Zo langzaam maar zeker heb ik mijn buik vol van dit motoravontuur. Drie dagen eerder hadden we ook al een verdomd grote vogelspin in de badkamer. Uiteraard ontdekte ik die pas toen ik al in Eva-kostuum de drek aan het afspoelen was.

Ergens op rijksweg 5, een van de moeilijkste etappes van de reis, moet ik de verloren oliedop van de GS met behulp van een oude shampoofles vervangen. Terwijl ik voor de cilinder kniel en het groene plastic op maat snijd, rijdt er een vrachtwagen op krap een meter afstand langs me heen. Wat doet die hier aan de linkerzijde van de weg? De bestuurder slaapt, en wel diep en vast. Ik ren er achteraan en probeer hem wakker te schreeuwen om te voorkomen dat hij de naderende brug niet mist en in de afgrond stort. Hij schrikt wakker en corrigeert met een ruk aan het stuur de vrachtwagen en haalt nog nipt de brug.
Jammer eigenlijk, want dat betekent dat we hem later weer moeten inhalen. En tijdens een inhaalactie zie je door het opstuivende zand nauwelijks nog iets. Echt even blind rijden dus, totdat je de vrachtwagen eindelijk voorbij bent. Maar het probleem lost zich even later zelf op als de truck met donderend geraas door de bosschages naar beneden glijdt.
“Ayuda! Ayuda! Help! Help!”, schreeuw ik zo luid als ik kan. We zetten onze helmen op en rijden naar de plek van het ongeval. Bebloed kruipt de bestuurder uit zijn cabine. Met zijn hamsterwangen vol cocabladeren mompelt hij: “Me habla dormido!” Ja, dat hebben we gezien, dat je zat te pitten. Hij huilt. Hij is al 38 uur onderweg en heeft het geld nodig om zijn familie te onderhouden. Het liefst was hij hier ter plekke gestorven, snottert hij, deze schulden krijgt hij nooit meer afbetaald. Er schijnen hier geen verzekeringen en geen geregelde rijtijden te bestaan. Hoe het met die arme drommel verder moet? Ik wil er niet eens aan denken. De rest van de dag rijd ik als een zombie verder.
Ver achter Santa Cruz, in de Boliviaanse laagvlakte, leidt de kaarsrechte en goed geasfalteerde weg richting het oosten, naar Brazilië. We kunnen het beste bij ieder tankstation stoppen, want de afstanden tussen de plaatsen zijn hier enorm. Tegenover ons tanken Duitse Bolivianen, die hier net zo leven als de Amish in de Verenigde Staten. Achterop hun koets vullen ze een groot vat met diesel. Een kleine jongen in een blauwe tuinbroek staart Madi bewegingsloos aan, zonder met de ogen te knipperen. Het tafereel doet een beetje denken aan de horrorfilm ‘The Hills have Eyes’, waarin lokale bewoners toeristen opeten. Snel verder, voor het starende kereltje aan Madi begint te knabbelen. De volgende plaats moeten we nog kunnen halen voor het donker wordt.

Die nakomelingen van Duitse kolonisten lijken allemaal heel, heel erg op elkaar. Ze hebben allemaal hetzelfde postuur, dezelfde gelaatsuitdrukking en ze hebben allemaal stroblonde haren. De genen worden hier blijkbaar binnen een heel klein gezelschap gecultiveerd….Nu kijken ze me alweer allemaal aan. Niets liever dan weg hier! Tachtig kilometer verder vinden we een goed hotel met daarnaast een restaurant. Net als bijna overal hier staat er rijst met haan op het menu. De blik van Daniel verstrakt plotseling, en hij verslikt zich bijna in een stukje haan. Met een holle blik kijkt hij langs me heen richting de ingang. Oh nee, daar zijn die tuinbroeken alweer. Die zijn ons toch hopelijk niet echt gevolgd? Of is het gewoon toeval? Dit is echt eng. Onopvallend leggen we het geld op de tafel en maken we ons snel uit de voeten.
We hadden op de hoofdweg moeten blijven. Na verschillende diepe en onoverzichtelijke waterpassages op de rode leempiste lig ik in de drek en vraag me af hoe ik de motor hier ooit weer rechtop krijg. Het is onmogelijk om met motorlaarzen grip te vinden in deze modder. Terwijl ik vertwijfeld glijdend en vloekend de GS rechtop probeer te zetten, zoekt Madi achter me eerst in alle rust een goede plek om haar motor neer te zetten. Typisch een vrouw! Nadat ik de koe, daarmee bedoel ik heel nadrukkelijk de GS, in een woedeaanval met een adrenalinepunch weer in een verticale positie heb gekregen, staat Madi naast me!
Oh god, als de prof er al bij gaat liggen, hoe moet het dan met mij? Ik moet hem snel helpen. Zijstandaard uit en, oh nee, de XT glijdt van achteren weg. Op drie, vier andere plekken gebeurt hetzelfde. Ik kan de motor hier nergens parkeren. Wat maakt het ook uit, ik leg hem wel neer en dan snel naar Daniel en de omgevallen GS.
Op deze door godvergeten, eenzame Ruta 10 tussen San Ignacio en San Juan vechten we ons meter voor meter door de rode drab. Achter San Matias bereiken we uiteindelijk volledig gesloopt Brazilië. De douanier van dienst kijkt naar mijn nummerplaat en zegt in mijn eigen taal: “Hey, welkom in Brazilië!” Heel even voelt het alsof ik zojuist thuis ben gekomen.

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.