Motormuseum Ed Zweden

« Terug naar magazine

Deze vakantieperiode toevallig Zweden op het programma staan? Ga dan vooral eens kijken bij Ed’s motormuseum, 150 kilometer ten noorden van Göteborg. Hier geen elfen of trollen, maar deels zeer zeldzame motorfietsen, en niet alleen uit Scandinavië.

Laten we vast één mogelijk misverstand uit de weg ruimen: Ed is niet de naam van de eigenaar van het museum, maar de naam van het plaatsje in Zweden waar het museum is gevestigd. In het 3.000 zielen tellende plaatsje presenteert de lokale motorclub ‘MCV Bohus-Dal’ haar collectie motoren, waarvan de meesten uit de privécollectie van een van de leden afkomstig is, als een verzameling arbeiders met opgestroopte mouwen. De staat van onderhoud van de verschillende motoren verschilt namelijk al net zo als de tijdperken die hen scheiden – van een roestige ruïne van een Wanderer met een V-twin tot een rijklare Honda CX500 Turbo, alles is er. Echt bezienswaardig is de enorme hoeveelheid Zweedse motoren. Al eens een NV uit Uppsala met een Sachs-motorblok gezien? Of een Colibri ‘Fufir’ uit 1919 met een 118 cc viertakt ééncilinder?
Colibri begon in 1915 in Gävle aan de Zweedse oostkust met de productie van motorfietsen. In 1919 volgde een verhuizing naar Stockholm en weer vier jaar later het faillissement. Ook uit 1919 stamt een 184 cc metende EBE. Dit merk werd opgericht door Carl Georg Lindqvist, die een jaar eerder een eigenbouw inbouwmotor patenteerde. De eigenaar van deze machine, een zekere Verner Andersson, woont in Åmål aan het gigantische Vänermeer en de plek waar EBE ooit motoren produceerde. Ook de zwarte 172 cc ‘Sport’ uit 1927 op de openingsfoto komt er vandaan. Twee jaar later ging EBE failliet.
De meer dan 150 motoren van meer dan vijftig fabrikanten zijn of chronologisch of per merk tentoongesteld en komen uit Zweden, Duitsland, Engeland, Amerika, Frankrijk, België, Italië, Rusland, het vroegere Tsjechoslowakije en Japan. En het verbazen gaat verder: de driewielige Husqvarna Model 25 ‘3-hjulig’ uit 1928 ziet er haast potsierlijk uit. Dit werkpaard heeft een 175 cc JAP-motorblok, maar oogt als om door een ringetje te halen. De tentoongestelde Ducati Cucciolo (‘hondje’) is tussen 1950 en 1952 gebouwd. Het tien kilo wegende en 48 cc grote ééncilinderblokje van deze Italiaan was met een verbruik van 1 op 100 al extreem zuinig. De meer dan een kwart miljoen exemplaren die er van werden gemaakt, brachten in het naoorlogse Italië de mobiliteit terug.
Kroonjuweel van het museum is de voor zijn tijd zeer moderne Union Super Sport uit 1951, één van de slechts vier geproduceerde exemplaren! Deze naoorlogse machine werd aangedreven door een 496 cc metende ééncilinder viertakt met een boring x slag van 79,0 x 101,0 millimeter, Amal-carburateur en een Burman-bak met vier versnellingen. Zonder die bak en de magneto-ontsteking woog de eencilinder een dikke 29,5 kilo. Het sterke frame van de Union Super Sport berustte volgens het infosheet op ‘ervaringen uit de Husqvarna TT’. Bovendien blonk de vering van deze in totaal 150 kilo wegende 500 uit met een uitstekende balans. De Union-fabriek stond in Charlottenberg aan de grens met Noorwegen, bestond slechts tussen 1949 en 1951 en bouwde in deze korte periode maar 42 motorfietsen. Deze zeldzame machine met kenmerkende lange slag zou een top van 160 km/uur moeten hebben gehad.

Van zo’n snelheid konden de ‘Ton-up-boys’ in het verre Engeland in die tijd alleen nog maar dromen. ‘Doing a ton’ stond voor het doorbreken van de 100-mijl-per-uur-grens – destijds een haast olympische prestatie voor motorfietsen. De Deense Nimbus uit 1949 deed zijn naam alle eer aan. De in lengterichting gemonteerde 750 cc viercilinder met bovenliggende nokkenas was in die tijd al een bijzondere verschijning. Net zo bijzonder als de 22 pk bij 4.500 toeren die middels een drieversnellingsbak en een cardanas richting het ongeveerde achterwiel werd geleid.
De volgende machine die we tegenkomen is een Rex ‘S’ met een 6,5 pk sterke 247 cc eencilinder tweetakt van het Britse Villiers. Voor de Bosch-verlichting moesten ooit 110 Zweedse kronen extra worden betaald. Gezien de totaalprijs van 850 kronen voor de complete motorfiets was dat in 1929 een flinke hap extra. Hetzelfde geldt voor de beeldschone Husqvarna 250 uit 1930. Die kostte zonder verlichting 925 kronen en met 30-Watt-Bosch-verlichting 1.075 kronen. Een elektrische claxon van hetzelfde Duitse merk kostte nog eens 24 kronen extra. Het meerprijs-beleid bij motorfietsen is dus niet door BMW uitgevonden…. Ook bijzonder: de prachtige Husqvarna M180 uit 1931 met een zeer esthetische 550 cc V-twin. Maar als zijklepper haalt deze Zweed slechts 12 pk uit zijn flinke longinhoud. Niet zo gek, want de basis dateerde al van 1918. Husqvarna-racers zijn in dit museum trouwens al net zo prominent aanwezig als de latere terreinmachines van het Zweedse merk.
We stuiten op een Rex 500 OHV Supersport uit 1936, een prachtmachine. De 25 pk sterke ééncilinder viertakt van JAP met een constructie waarbij de kleppen in de cilinderkop hangen. De groene, voluptueuze spatborden staan deze bijzondere machine meer dan goed. Ook uit 1936 stamt de Suecia, met een 500 cc JAP-eenpitter en Magneto-ontsteking.
Al eens van Fram gehoord? Een bedrijvige ondernemer uit Uppsala, genaamd Josef Eriksson, verkocht door hem geproduceerde motorfietsen onder de merknamen Fram, King, Bricent en OK. Bezienswaardig is ook de Duitse Victoria tandemfiets met een 38 cc tweetakt hulpmotor uit 1952. In die tijd maakte men nog duidelijk van de nood een deugd.
Veel motorfietsen stammen nog uit de tijd dat in Zweden nummerplaten op het voorspatbord verplicht waren. Die platen waren aan de linkerzijde voorzien van de blauw/gele Zweedse vlag en aan de rechterzijde van het koninklijke wapen met drie gouden kronen op een blauwe ondergrond. In Ed kun je ook veel te weten komen over het merk Monark. Dit merk werd in 1908 in Varberg opgericht door Birger Svensson en produceerde in de hoogtijdagen per dag tot 1.000 tweewielers van de meest uiteenlopende soorten. Legendarisch werd de deelname van acht Monarks aan de Six Days van 1954. Alle acht rijders haalden toen een gouden medaille. In 1959 won Sten Lundin het WK motocross op een 500 cc Monark. Later produceerde dit merk zelfs nog radio’s.

Hiermee is de cirkel rond in het museum. Meer dan 300 radio’s, jukeboxen, geluidsbandapparatuur en platenspelers verwelkomen je hier ook nog op een optisch-akoestische tijdreis. En dan herbergt het museum ook nog een 75 kettingzagen, de belangrijkste industrie in Dalsland. Bos en meer gaan hier nauw samen. En daarom telt het museum daarnaast ook 50 bootmotoren, zowel binnen- als buitenboordmotoren. Oliekannen en duizenden naaimachines belichten weer een andere kant van het leven in het land van de trollen en elfen. Kortom, een trip naar Ed’s MC- en Motormuseum is om meerdere redenen meer dan de moeite waard.

INFO
Ed’s MC- en Motormuseum, 26 Storgatan, Ed 668 30, Zweden. Internet: www.mc-dalsand.se
Geopend van 15 april tot 15 oktober. Van juni tot augustus dagelijks van 11.00 tot 18.00 uur, in de andere maanden van donderdag tot en met zondag van 11.00 tot 16.00 uur. Entree: 50 SEK (5,20 euro), kinderen onder 12 jaar gratis

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.