+ Plus

Interview Steve Baker

Vraag de gemiddelde raceliefhebber wie de eerste Amerikaanse wegracewereldkampioen was en hij gunt waarschijnlijk Kenny Roberts die eer. Fout. In 1977 won Steve Baker Formule 750 Series en ging zo de geschiedenis in als de eerste Amerikaanse wereldkampioen op asfalt. Toch verdween hij snel in de vergetelheid. Welkom in Steve Bakers Alles liep Anders-Show.Steve Baker, # 32, Yamaha. Zo leerden de Amerikaanse wegracefans hem kennen, en later ook de Europese liefhebbers. Baker mocht in 1978 zelfs een jaar met het nummer 1 rijden, maar hij deed het niet. Misschien omdat hij de nummer 1 was in een klasse die op het tweede plan stond. In de 500 cc werd Baker vice-wereldkampioen. “Het was een combinatie van dingen”, zegt Baker nu, 31 jaar na dato. “Het was het jaar van Yamaha’s comeback in de 500 cc, het was mijn eerste jaar op veel circuits. Deels lag het aan de Yamaha, deels aan mij.” Toegeven dat je tekortschoot is zo veel jaren na het mislukken van de missie wellicht ook minder moeilijk. Baker schudt zijn hoofd. “Ik ben nooit iemand geweest die uitvluchten zocht. Als het aan mij lag, zou ik nooit een verhaal ophangen over banden die waren versleten.”Het liep allemaal anders dan gepland, al vanaf het begin van Bakers carrière. Hij werd geboren in Bellingham, een plaatsje op een flinke steenworp afstand van de Canadese grens. Gestimuleerd door zijn motorrijdende vader stapte de jonge Stevie op crossers en bleek van meet af aan snel. “Ik begon te rijden met motoren in m’n achtertuin, zeg maar”, blikt Baker terug. “Net als zoveel coureurs. Ik hield van de snelheid, van de competitie en van dirt track. De wegrace, dat was nooit mijn ambitie. Van een Canadese dealer kreeg ik de kans om op een wegracer te stappen, iets waar ik dus nooit van had durven dromen. Het was iets wat ik absoluut nooit had nagestreefd.” Baker kwam terecht in een wereld die hem had gekozen in plaats van andersom. De Steve Baker van nu is niet veel anders dan die van toen. Oké, het zwarte haar is grijs, maar hij is nog steeds bescheiden, vriendelijk, onopvallend en zijn ogen stralen nog steeds diezelfde verbazing uit als dertig jaar geleden. De Steve Baker van toen was ook snel, vreselijk snel. Vond ook Kel Carruthers, de chefmonteur van Kenny Roberts. “Stevie is Kenny’s gelijke”, zei hij in 1977. In 1976 koos Baker definitief voor het asfalt. In Canada en Amerika had het toen 24-jarige natuurtalent naam gemaakt op de rood-zwarte Yamaha’s van de Canadese importeur voor wie hij kampioenschappen in de 250, de 350 en 750-klassen veroverde. Hij werd bijgestaan door technicus, manager en latere zwager Bob Work. Samen met de daadkrachtige Work vormde Baker een gevaarlijk duo, dat ook de aandacht trok van de Yamaha-fabriek in Japan. Begrijpelijk, want op een Yamaha OW31 finishte Baker in 1975 als tweede in de Daytona 200, terwijl hij rechtstreekse confrontaties in Amerika het fenomeen Roberts regelmatig de baas was. Daarnaast reed hij met een succes een aantal Europese Formule 750-wedstrijden en wist hij aan het einde van het jaar de traditionele hoogaangeschreven “Race of the Year” op het Britse Mallory Park te winnen. Baker glundert. “Het had niets met het kampioenschap te maken, maar Sheene startte er, Kenny ook en Mick Grant. Veel snelle jongens. En ik won. Eén van mijn persoonlijke ‘highlights’.”In Baker zag Yamaha de “coming man” die naast Johnny Cecotto en vijftienvoudig wereldkampioen Giacomo Agostini in 1977 de 500 cc-comeback van Yamaha vorm moest geven. “Johnny werd mijn directe teamgenoot en omdat hij ook al in 1975 wereldkampioen was geweest in de 350 cc en de circuits kende, was hij de nummer 1-coureur”, vertelt Baker. “Daar kon ik goed mee leven, want veel van de circuits waren nieuw voor mij. Een circuit als de Nürburgring hadden we in Amerika niet. Zo lang, zo moeilijk om te leren… Maar banen als Imola, Hockenheim en Paul Ricard waren redelijk te vergelijken met wat ik kende. Assen vond ik bekeek een geweldige baan. Het was toen nog een stratencircuit, maar wel een goed stratencircuit.” De werkelijkheid achterhaalde andermaal de plannen die zo zorgvuldig gesmeed leken. De futuristisch gestileerde YZR500 was lager en lichter dan de machine waarmee Agostini in 1975 Yamaha’s eerste 500 cc-wereldtitel had veroverd. De nieuwe 500 was een zuigergestuurde viercilinder in lijn werd opgegeven voor 100 pk bij 11.500 toeren. De tweetakt woog 150 kilo en zou een top hebben van 255 km per uur, een nogal bescheiden fabrieksopgave. Daarnaast diende Baker ook zijn aandacht te richten op de Formule 750, de raceserie die voor 1977 voor het eerst wereldtitelstatus had gekregen. De fabrieks-YZR750 was in tegenstelling tot de 500wel membraan gestuurd, tien kilo zwaarder en tien pk sterker dan de 500. Naarmate het seizoen vorderde, schoof de pk-schatting steeds verder richting de 140. Baker gaf de 750 een debuut waar hij en Yamaha alleen maar van hadden kunnen dromen door in de fameuze Daytona 200 vanaf de pole Roberts in de race op 28 seconden achterstand te zetten. Baker was meteen de eerste koploper in het nieuwe 750-kampioenschap. “Ik wilde altijd graag in Daytona winnen”, zegt Baker. “Niet dat het mijn favoriete baan was, maar als Amerikaan was winnen in Daytona iets bijzonders. Mijn eerste race daar was in 1972 en in 1975 werd ik tweede achter Gene Romero, maar voor Cecotto. In Daytona winnen in 1977 was dus heel speciaal voor mij.” De F750-races werden niet gelijk verreden met de 500 cc-GP’s, waardoor Baker op twee een dubbel raceprogramma diende af te werken. Bovendien kenden de F750-weekenden twee heats met benzinestops, wat een zware lichamelijke een geestelijke belasting betekende voor de coureurs. Baker, tijdens zijn Europese campagne woonachtig in Amsterdam, haalt zijn schouders op. “Ik had geen moeite met twee races op een dag, want dat was ik in Amerika wel gewend. Net als het reizen. Waar ik meer moeite mee had, was het aanduwen van de machine. Ik was gewend om met draaiende motoren te starten. Jullie hadden Wil Hartog, lang, sterk en een fabuleuze starter. Ik ben klein en de techniek was nieuw voor mij. In Amerika zat ik er altijd goed bij na de start, nu moest ik door slechtste starts vaak van achteren komen.” Het 500 cc-seizoen begon niettemin voor Baker voorspoedig. Bij zijn GP-debuut in Venezuela naderde hij wereldkampioen Sheene tot op drie tellen. Sheenes teamgenoot de Amerikaan Pat Hennen en Johnny Cecotto werden op grote achterstand derde en vierde. Het leek een veelbelovende start van het jaar voor Baker, maar al snel bleek dat de YZR500 geen uitgebalanceerde machine was. “We kregen circuits die niet goed bij de Yamaha pasten. De vierde GP was in Imola en daar had ik een goed gevoel over, ook omdat ik in 1976 daar al eens gereden had met de 750. We probeerden van alles met het rijwielgedeelte en met de versnellingsbak, maar we kregen de machine niet zoals ik ‘m wilde. Ik werd vierde, bijna een halve minuut achter Barry. Toen we daarna naar Paul Ricard kwamen, een baan die ik ook kende, was ik de snelste in de trainingen. Maar vanaf de start had ik problemen met de tankafsluiting die steeds losschoot.” Baker moest zelfs Sheene voorbij wenken. “Ik werd derde, maar die wedstrijd had ik moeten winnen. De Yamaha was supersnel, Barry wist dat, en ik kende de baan, maar de pech stond ons in de weg.”Het ontwikkelingswerk werd ook nog eens ernstig belemmerd toen Cecotto tijdens de 350 cc-race in Oostenrijk betrokken raakte bij een rampzalige valpartij en zijn arm op vijf plaatsen brak. Baker, de man die in de schaduw had mogen groeien, werd plotseling gepromoveerd tot nummer 1. Die druk maakte zich voelbaar, geeft hij toe. “Ik viel er behoorlijk vaak af, vooral in de trainingen, vanwege de druk en mijn drang om Yamaha na de blessure van Johnny toch goede resultaten te kunnen brengen. Ik probeerde de motor beter te begrijpen, want de Yamaha was een gecompliceerde machine. Maar iedere keer als ik viel, betekende dat ook dat mijn zelfvertrouwen een knauw kreeg. Vooral op de 500.”In elf GP’s kwam Baker tot drie tweede plaatsen en drie derde plaatsen – niet zelden na indrukwekkende inhaalraces. De zo gehoopte GP-zege bleef buiten bereik. Achter Sheene werd Baker op ruime achterstand tweede in het kampioenschap, nog wel voor Pat Hennen. “Zonder Johnny’s blessure hadden we er meer uit kunnen halen”, mijmert Baker. “De machine was in ieder geval snel genoeg. Ik deed m’n best, maar miste eigenlijk de basis. Toen ik met de 500 naar Europa kwam, dacht ik dat ik het Barry lastiger zou kunnen maken. Zijn Suzuki was verder dan onze Yamaha. Het liep heel anders dan ik me had voorgesteld.”In de Formule 750 was het een compleet ander verhaal. Na die verpletterende overwinning in Daytona werd Baker in Imola geklopt door Roberts, maar bij de overige zeven WK-races waar hij startte, stond Baker slechts twee maal aan het eind van de dag niet op de bovenste podiumtrede. Ruim voor het einde van het jaar stelde Baker de wereldtitel veilig – zeer ruim voor Christian Sarron – en ging zo de geschiedenis in als de eerste Amerikaanse wegracewereldkampioen. Het niveau van de Formule 750 kon niet wedijveren met dat van de 500 cc-klasse, geeft ook Baker toe. “Barry reed een paar wedstrijden met een 680 en als je eerlijk bent, denk ik dat je mag zeggen dat het niveau in de F750 wat lager was dan in de 500 cc. Maar toch, Kenny won in Imola, Cecotto was er geregeld en hij was snel. Marco Lucchinelli reed mee, maar hij had alleen niet het topmateriaal dat nodig was om kampioen te worden.”Ondanks de WK-status kwam de Formule 750 niet van de grond. Waar hij in Daytona in een enorm veld nog 19.000 dollar toucheerde en na dubbele winst in Brands Hatch dik 10.000 euro mocht cashen, werd Baker in Jarama in een veld van slechts veertien rijders met een belachelijke fooi van zo’n 320 euro naar huis gestuurd. De “klasse van het grote geld” hield op te bestaan in 1979. Bij Yamaha voelde Baker ook eerder de teleurstelling over het niet behalen van de 500 cc-titel dan vreugde over het F750-kampioenschap. “Ze wilden de titel graag, maar ze waren meer gebrand op het 500 cc-kampioenschap. Het was hun comebackjaar en er was hen veel gelegen aan de titel, ook omdat ze hem in 1975 hadden gewonnen met Giacomo Agostini. Dat kon je ook zien aan de samenstelling van mijn team. Afgezien van Bob Work niet jongens met wie ik in Amerika had gewerkt, maar monteurs uit Japan. Maar de 750 lag mij beter. De powerband was breder en dat paste bij mijn stijl.”De media-aandacht in zijn thuisland voor de wereldtitel viel eveneens tegen. Baker lacht wat ongemakkelijk. “Het werd genoemd in de bladen, maar daar bleef het wel bij. Wat ik daar van vind? Tja… Teleurstellend, toch wel, ja. Ik stond nooit in de schijnwerpers en dat was toen niet anders. Kenny had al een hele hype om zich heen. Niks mis mee, hoor, en dat neem ik hem niet kwalijk. Kenny was een erg goede coureur en ik heb fantastische duels met hem uitgevochten. Hij had meer mensen achter zich staan. Ik kreeg hulp vanuit Canada en van Bob Work, die erg belangrijk is geweest voor me. Maar Kenny had de Japanners achter zich staan en dat maakte een verschil.”Medio 1977 circuleerden geruchten over een “GP-dreamteam” met Baker en Roberts. Yamaha zette voor 1978 echter alle kaarten op Roberts en schrapte Baker van de loonlijst. Dankzij hulp uit onverwachte hoek kon de kersverse wereldkampioen zijn Europese carrière verlengen. “Ik kon het goed vinden met Barry Sheene. We hadden respect voor elkaar. Barry heeft me voor 1978 toen geholpen om bij Roberto Gallina een plek te krijgen en zo met Suzuki’s in de 500 te kunnen starten. In de F750 reed ik nog met een privé-Yamaha.”Baker kreeg de beschikking over de Suzuki waarmee Sheene zijn wereldtitel had geprolongeerd, maar teambaas Gallina had gaandeweg het seizoen meer aandacht voor zijn jonge landgenoot Virginio Ferrari dan voor de 500 cc vice-wereldkampioen. Zijn tweede 500 cc-seizoen werd een grote teleurstelling met crashes en blessures. Na een derde plaats achter Sheene en Hennen in Venezuela, kwam het podium nooit meer in beeld. De titelstrijd sloot Baker af als zevende – zijn opvolger Roberts veroverde zijn eerste van drie wereldtitels. Ook in het F750-kampioenschap bleven de successen uit door bandenmalheur, technische problemen en verkeerde gokjes op tankstops. Ex-teamgenoot Cecotto nam de wereldtitel over, Baker werd zesde. Alleen bij de wedstrijden in Laguna Seca en in het Canadese Mosport had Baker dankzij zijn zwager Bob Work en Yamaha Canada de beschikking over fabrieksmateriaal. Na een tweede plaats achter Roberts in Laguna, sloeg in Canada sloeg tijdens de trainingen het noodlot toe toen Baker crashte over een oliespoor. Twee coureurs reden op hem in, één er van overleefde het ongeval niet. Baker liep een gecompliceerde beenbreuk op. Tijdens zijn genezing nam hij een rigoureuze beslissing. “Ik was al een paar keer gevallen en m’n zelfvertrouwen werd alsmaar minder. Daar in Mosport was ik voor de eerste keer echt bang. Ik had in 1974 al eens m’n been gebroken en was teruggekomen. Mijn eerste race na die crash was de Daytona 200 in 1975 en daar werd ik tweede. De angst verdween daarna. Maar na de crash in Mosport niet. Voor mij was het duidelijk dat ik moest stoppen.”Amper twee jaar na hij zijn GP-debuut, sloot Baker het boek. Samen met zijn vader kocht hij in zijn geboorteplaats Bellingham een motorzaak. Vijf jaar geleden verkocht hij de zaak, wel werkt hij er nog. Zijn zelfgekozen afscheid van de racerij viel hem zwaar, geeft Baker toe. “Ik zal eerlijk zijn, ik heb het er moeilijk mee gehad. Ik miste de racerij, de competitie, maar vooral ook de vriendschappen met anderen. Ik denk ook dat dat door de leeftijd komt; je gaat er anders tegenaan kijken. In die jaren besefte je niet hoe belangrijk bepaalde mensen voor je waren. Maar de confrontatie met de racerij was zwaar. Het duurde tot 1985 voordat ik weer eens een wedstrijd bezocht. Toen wilde het gevoel dat ik beter kon dan wat zij deden, niet weg gaan.”Hoe het anders had kunnen lopen; het houdt Steve Baker nog wel eens bezig. Het is geen omzien in wrok, benadrukt hij. Het is dat verhaal dat anders begon dan verwacht en anders eindigde dan gehoopt. Het zoeken naar oorzaken en verklaringen. Niet naar excuses. “Achteraf had ik graag een heel seizoen 250 gereden om me voor te bereiden op de 500. Een beetje zoals Kenny Roberts dat later ook deed. Maar ik denk niet dat Kenny het in 1977 beter had gedaan dan ik. Later las ik dat hij eind 1977 mijn machine testte in Japan en toen de technici had verteld wat er allemaal anders moest. Ik kan van mezelf zeggen dat ik technisch ben, maar ik ben geen engineer of designer. Ik kon vertellen wat ik voelde op de motor. Als Kenny bij de Yamaha-technici kon aangeven dat een andere swingarm en een andere veringophanging het verschil zouden maken: petje af. Als het echt zo gegaan is. Eerlijk gezegd zou ik het eerder geloven als ik dat van zijn Kel Carruthers had gehoord. Ik denk eerlijk dat ik na een leerjaar in een tweede seizoen op de Yamaha een betere kans op de titel had gehad. Kijk eens naar Christian Sarron: hoe lang reed hij al GP’s voordat hij 250 cc-wereldkampioen werd?”Op het antwoord op de vraag of hij genoeg erkenning heeft gekregen van Yamaha moet Baker lang nadenken.. “Ik weet het niet…. De laatste vijf jaar betrekt Yamaha me wel bij activiteiten en word ik uitgenodigd voor bijvoorbeeld voor het feest van Yamaha-coureurs in Laguna Seca tijdens de GP. Dat betekent toch wel veel voor me, merk ik. Dat is toch een vorm van erkenning. Ik moet dus toch wel wat mensen bij Yamaha blij hebben gemaakt met m’n resultaten.” Tijdens de Bikers’ Classics In Francorchamps genoot Baker oprecht van zijn ronden op de met het nummer 32 getooide Yamaha OW31 die het Yamaha Classic Racing Team voor hem had geprepareerd. De spijt over de titel die niet kwam, is echter nooit helemaal verdwenen, maar heeft plaats gemaakt voor acceptatie. “Ik had de fabriek graag een 500-titel bezorgd. Het lukte niet. Jammer. Mijn carrière… Je mag ‘m kort noemen, wat je wilt. Maar ik heb er van genoten.”Steve Baker is de held die nooit een held werd, de absolute tegenpool van de man wiens heerschappij hij in 1977 moest aanvallen, de tegenpool ook van de man die hem in 1978 opvolgde als fabrieksrijder bij Yamaha. De bescheiden Baker bracht meer uren door in de schaduw dan in het felle licht van de schijnwerpers. “Ik denk inderdaad dat dat wel verschil maakte”, knikt hij. Berustend en met zelfkennis. “Maar weet je, ik kan me niet anders voordoen dan hoe ik hier nu zit. Ik ben wie ik ben.”Opener – digiSteve baker terug in Francorchamps, terug ook op een Yamaha 750. Tijdens de Bikers’ Classics reed de nu bijna 56-jarige Amerikaan met zichtbaar plezier zijn rondjes. Unterschrifte286 (wheelie)Baker in actie op de Yamaha YZR750. Assen was één van de weinige Formule 750-races die Baker niet wist te winnen. 327Als opwarmertje voor de Daytona 200 won Baker in 1977 ook de kwartliterrace in het voorprogramma. Hij finishte voor Takazumi Katayama en Rich Schlachter. Dia mit 32 und 7Baker was de enige die tijdens zijn GP-debuut in 1977 in Venezuela 500 cc-wereldkampioen Barry Sheene (7) bij kon houden. 243Al in 1976 kwam Baker af en toe naar Europa. Hier is hij tijdens de Formule 750-races in Imola in gevecht met rivaal Kenny Roberts. Dia mit 3, 32, 4Tijdens de regenachtige Dutch TT van 1977 werd Baker vijfde, achter Pat Hennen (3), maar voor Tepi Lansiuori (4).279Aan de duwstarts in Europa moest Baker nogal wennen. In het rennerskwartier (toen nog niet paddock genoemd) van Assen oefende hij een paar starts. Digi Baker & CoTijdens de Bikers Classics luistert Baker samen met Kork Ballington naar oud-wereldkampioen Kel Carruthers. Die zette in 1977 Baker op hetzelfde niveau als Kenny Roberts. 267Baker was een groot liefhebber van het circuit van Francorchamps. Met het startnummer 2 finishte hij – weer achter Sheene – als tweede voor Hennen (3) en Lansivuori (40).

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.