+ Plus

Interview Freddie Spencer

Drie wereldtitels behaalde Freddie Spencer. Drie unieke titels. In 1983 schonk hij als jongste 500 cc-wereldkampioen ooit Honda ook haar eerste titel in de koningsklasse. Twee jaar later werd de 23-jarige Amerikaan wereldkampioen in de 250 cc- én 500 cc-klasse. Nog nooit vertoond, en ook daarna niet meer. Na zijn 500 cc-zege in Zweden was de missie geslaagd – en stond hij nooit meer op het podium. “Maar ik heb nergens spijt van.”

Als hij de Dutch TT van 1984 aanvoert op de revolutionaire NSR500, begint Honda’s eerste V4 te sputteren. Freddie Spencer stuurt de pits in, zijn monteur lost het probleem met de bougie provisorisch op. Spencer, regerend 500 cc-wereldkampioen, keert terug op de baan, maar de V4 loopt vast. Zijn kansen op titelprolongatie lijken verkeken. Tegelijkertijd spookt al tijden een prikkelend idee door zijn hoofd, in die ronde naar de pits nadrukkelijker dan ooit: altijd al had hij een Grand Prix-seizoen in de 250 cc-klasse willen rijden. Waarom volgend jaar niet? Naast de 500? Niemand lukte het ooit om in hetzelfde jaar wereldkampioen te worden in die twee klassen. Niemand. ‘Fast Freddie’ wil doen wat nog nooit iemand deed. Na de desastreuze race gaat hij om tafel met crewchief Erv Kanemoto, Yoichi Oguma en nog enkele Honda-kopstukken. Niet om te praten over de rest van het seizoen, nee, Spencer wil praten over 1985. “Uiteindelijk zou Honda wel een fabrieksmachine bouwen, maar mijn plan haalde alles naar voren”, lacht Spencer nu nog, 36 jaar later. In drie maanden bouwen de Honda-technici een fabrieks-250. De halve V4 wordt met de hand gebouwd. “Om vanaf nul iets te maken kostte een fortuin. Maar al bij de eerste test was hij geweldig.” De RS250R, zoals de kwartliter gedoopt wordt, en Spencer hebben een klik. Want als de coureur tijdens die geheime test in september op een vochtig Suzuka het voorwiel weg voelt glijden, corrigeert de machine zichzelf voordat Spencer kan reageren. “Ik zei tegen Erv ‘wij gaan het samen erg goed vinden’.” De 250 is zelfs de reden waarom hij ook in 1985 het 500 cc-kampioenschap wint, zegt Spencer. “Binnen Honda was men aan het zoeken welke kant het op moest met de 500, omdat ze met de 1984-V4 helemaal de verkeerde weg waren ingeslagen. Na die eerste test met de 250 zei ik ‘als jullie een 500 kunnen bouwen die hier op lijkt, denk ik dat we een goede kans hebben’. Die test leidde dus tot de nieuwe 500.” Tijdens de Daytona Speedweek van 1980 racete Spencer voor het laatst op een kwartliter. Op de Yamaha waarmee hij een jaar eerder de Amerikaanse 250 cctitel won, neemt hij het op tegen mannen als wereldkampioen Toni Mang, Randy Mamola en Eddie Lawson. Spencer wordt derde. Op dat moment heeft hij al getekend voor Honda. Zijn crewchief, de legendarische Erv Kanemoto, leert hij drie jaar eerder bij toeval kennen. Als hij in 1977 met zijn vader Fred naar een wedstrijd op MidOhio reist, vindt pa in de overvolle paddock een plaatsje naast een grote witte bus. “Ik keek opzij en ik herkende Gary Nixon”, glundert Spencer bij de herinnering aan de vermaarde #9. Tuner Kanemoto is Nixon’s steun en toeverlaat. De 15-jarige Spencer dubbelt bijna het gehele veld op het kletsnatte Mid-Ohio. Nixon wordt derde. Na de race feliciteert Kanemoto de trotse vader Spencer. “Mijn vader wilde niemand bij mij in de buurt, maar hij mocht Erv meteen. En pas later hoorde ik dat Erv tegen mijn vader had gezegd ‘als je eens hulp nodig hebt…’ Het jaar daarna werd ik prof, en dat vertelde mijn pa, en ‘het zou geweldig zijn als je wat voor Freddie kon betekenen’. Dat volgende jaar stonden we steeds naast Gary en Erv. Mijn vader deed een stap opzij, dat was moeilijk voor hem, maar hij kon me niet verder brengen. Net als mijn vader vertelde Erv me nooit wat ik moest doen. Hij had nooit geracet, maar hij kon heel goed de lijn trekken tussen ‘hier moet je het mee doen’ en ‘ik denk dat we het beter kunnen maken’. Hij zette me nooit onder druk.” Na een seizoen met zware tegenvallers, blessures en slechts een vierde plaats in de 500 cceindstand beginnen Spencer en Kanemoto in 1985 aan die gewaagde exercitie, de uitdaging om in de kleuren van de nieuwe hoofdsponsor Rothmans in twee klassen voor het goud te gaan. In Daytona wint Spencer de 100-Mijlsrace met de nieuwe 250, de Daytona 200 wint hij met een VF750 en in de ‘Formula One’-race stuurt hij de nieuwe NSR500 naar de winst. Later in maart wacht de Zuid-Afrikaanse Grand Prix in Kyalami. Toni Mang en de Italiaan Fausto Ricci rijden in de 250 cc-klasse ook op Honda’s, maar Spencer’s RS is speciaal. Carlos Lavado, de wereldkampioen van 1983, is Yamaha’s troefkaart. In de 500 ccklasse is Spencer de enige Hondarijder die het seizoen begint op de V4. Titelverdediger Eddie Lawson is op de Marlboro/Yamaha Spencer’s grootste tegenstander. “Door die probleemloze overwinning in Daytona hadden we verkeerde verwachtingen gekregen over de 500. Die machine was pas laat klaar en toen we in Kyalami begonnen, had ik enorme chatterproblemen. Ik won de 250 (voor Mang, red.) en daarna leidde ik de 500 cc-race een paar ronden, maar Eddie kwam me voorbij en ik kon hem niet bijhouden.” Tijdens de warm-up voor de Grand Prix van Spanje op Jarama crasht Spencer met de 500 en breekt zijn hand. Desondanks wint hij de race met dertien seconden voorsprong op Lawson. De handblessure zal hem echter blijven achtervolgen. Door een kapotte uitlaat komt hij op de kwartliter niet verder dan een negende plaats. Toch voelt Spencer zich goed op de unieke 250-fabrieksmachine, zo’n 70 pk sterk en 90 kilo zwaar. “De 250 kon je iets makkelijker over de grens pushen. Maar halverwege het jaar staakte Honda eigenlijk de ontwikkeling van mijn 250, terwijl Mang en zijn crewchief Sepp Schlögl steeds sterker werden. Toen we in Le Mans kwamen voor de negende race, kon ik in zijn slipstream blijven, maar ik kon er niet uitkomen. Zo’n vijftien ronden gaf ik hem de indruk dat ik hem links wilde passeren. Hij hoefde maar een centimeter of 90 naar binnen te komen zodat ik hem buitenom kon passeren. En ik wist dat ik maar één kans zou krijgen. Ik weet nog dat hij opzij keek; hij kon niet geloven dat ik daar buitenom kwam.” Als de coureurs begin augustus in een koud, nat en winderig Silverstone arriveren, voert Spencer in beide klassen de ranglijst aan. Zeven kwartliter-races heeft hij dan al gewonnen en vijf maal was hij de 500 cc-concurrentie te snel af. In twee klassen trainen, kwalifceren en racen vergt echter veel van Spencer’s mentale veerkracht en van zijn aanpassingsvermogen. “Het allerbelangrijkste was dat ik me al in de verkenningsronde vertrouwd moest voelen op de andere fets. Dus als ik van de 250 stapte, dronk ik zo veel mogelijk water als ik kon en ik trok normaal gesproken een ander pak aan. Dan stapte ik op de 500, reed de pitlane uit en meteen zocht ik dan mijn lijn en mijn rempunten – zelfs met lagere snelheid en een andere remdruk. Ik maakte de visuele en fysieke verbinding om die transitie te maken. Toen ik nog klein was en bij ons achter het huis in Louisiana reed, was elke bocht anders. Sinds ik racete had ik me aangeleerd om zo snel mogelijk te wennen aan andere omstandigheden op een circuit. Zo werd het fundament gelegd voor het werk dat ik op zondag moest doen. Maar het kon weleens kritisch zijn. In Mugello hadden we bijvoorbeeld heel weinig tijd tussen beide races. Daar reed ik eerst met de 500. Die race won ik voor Eddie en Christian Sarron. Maar toen ik op het podium stond, begonnen de 250’s al aan hun verkenningsronde. Ik gaf mijn champagne aan Eddie, want ik moest nog rijden… Ik weet nog wat hij toen tegen me zei: ‘liever jij dan ik’. Iedereen was inmiddels weg. Behalve Toni. Hij had op me gewacht. Ik startte heel slecht, maar ik kon me naar voren werken en won de race. Mijn vermogen om me snel aan te passen, hielp me om die wedstrijd te winnen.” In Silverstone, drie wedstrijden voor het einde van het seizoen, krijgt Spencer zijn eerste kans om de 250 cc-titel veilig te stellen. “Ik geloof heel erg dat dingen gebeuren met een reden. Ik geloofde ook heel erg dat we in die situatie terecht zouden komen. Mijn doel was om de 250-titel binnen te halen in Silverstone. Ik werd die zondag wakker en ik zei tegen Erv dat ik alleen maar vierde hoefde te worden als Toni zou winnen. Maar in de race had ik al moeite om me op een vijfde plaats te verdedigen. Maar Alan Carter, die de race leidde, crashte en ik werd vierde. Die wedstrijd was dodelijk vermoeiend, want die aanpak stond zo haaks op hoe ik gewend was om te racen. Ik wilde het minimale doen om mijn doel te bereiken. Maar ik reed verkrampt. Maar: ik stond wél als wereldkampioen op het podium, in de regen en in de ijskou. En ik dacht ‘het laatste wat ik nu wil, is op een 500 stappen’. Maar ik wist precies wat ik moest doen. Ik trok mijn regenpak uit; dat ik nat werd, maakte niet meer uit. Na vier ronden had ik zestien seconden voorsprong. Dat ik net van de 250 was gestapt en dus wist waar het verraderlijk was, hielp absoluut. Maar ik wist ook: als ik hier win en de volgende race, maakt het niet meer uit wat er daarna gebeurt. In de trainingen was ik namelijk met de 250 gevallen en ik had de hand die ik in Jarama had gebroken opnieuw geblesseerd. Ik reed de 500-race zoals ik wilde rijden en ik was minder vermoeid na die twee races achter elkaar dan na die ene 250-wedstrijd.” Het eerste deel van zijn missie is geslaagd, maar Spencer gunt zichzelf geen tijd om te genieten van het succes. Hij is boos op zichzelf. “Omdat mijn benadering voor die race verkeerd was geweest. Ik had mezelf erdoor in de problemen gebracht. Omdat ik daarna nog de 500 cc-race moest rijden, kon ik mezelf ook niet toestaan om die gedachte van de titel binnen te laten.” Na de Britse Grand Prix is duidelijk dat Spencer zijn laatste 250 cc-race heeft gereden. “Na wat me was overkomen met die crash en de breuk in mijn hand, ja.” In Anderstorp, een week na Silverstone, is Spencer nog niet ft, maar wel razendsnel. Vanaf pole stormt hij naar de winst, 22,8 seconden voor de onttroonde Lawson. Het is Spencer’s grootste winstmarge in zijn carrière – het is ook zijn allerlaatste zege, zelfs zijn laatste Grand Prix-podium. Spencer heeft een unieke en historische prestatie geleverd, maar het daaropvolgende seizoen verergeren de problemen met zijn in Spanje geblesseerde pols. De drievoudig wereldkampioen krijgt problemen met de bloeddoorstroming en komt, murw gebeukt door fysieke tegenslag, nooit meer terug op zijn oude niveau. Of het dat allemaal waard was? Spencer zucht. “Weet je, het is een optelsom. Ik heb geen spijt. Het was echt een voorrecht om die kans te krijgen om een droom te realiseren. Maar toen racete ik al meer dan vijftien jaar, vanaf mijn vierde. Toen ik klein was, was ik meedogenloos, reed ik dagelijks vier tot vijf uur. Vijf dagen per week, jarenlang. Dat bij elkaar opgeteld, eiste z’n tol. Zo gaat dat.” Teamleden zagen ook dat Spencer deels zijn spontaniteit kwijtraakte. Was de mentale en fysieke belasting te zwaar voor een coureur van nog geen 24? “Moeilijk te zeggen. Ook hier geldt weer dat het een optelsom is. Toen ik eind 1979 tekende voor Honda stond er geen machine klaar, maar ik geloofde dat ik dáár moest zijn. Daarna won ik mijn wereldtitels en HRC werd opgezet. Aan het eind van 1985 was ik op een punt aanbeland waar ik me afvroeg ‘wat is er nog’. De motivatie was veranderd. We waren erop voorbereid dat het zwaar zou worden toen we eraan begonnen. En je moet af en toe een beetje geluk hebben. Toen we besloten om voor de dubbel te gaan in 1985 stond er nog geen 250 die klaar was en ook geen 500. We wisten ook allemaal dat we dit geen tweede keer gingen doen. Het eiste zijn tol, ook op de manier waarop je je kunt ontspannen en hoe je tegen zaken aankijkt.” Volgens Kanemoto realiseerde niemand zich echt hoe zwaar Spencer het dat jaar had gehad. Die zoekt naar woorden voor hij antwoordt. “Mensen verwachtten het van je. Tegelijkertijd geloofde ook niemand dat het mogelijk was. Dat heb ik allemaal gevoeld. Natuurlijk verwachtte ik van mezelf ook dat ik het zou kunnen. Ik was een perfectionist. Sinds ik vier, vijf jaar oud was. Altijd had ik die weg omhoog voor ogen. Maar weet je, het moét ook moeilijk zijn, de verwachtingen moéten ook hoog zijn. Ik zou niets willen veranderen, ik deed wat ik dacht dat ik moest doen.” Met zijn drie unieke wereldtitels verdiende Freddie Spencer een prominente plek in de motorsportgeschiedenis en vooral binnen Honda. Spencer zelf kijkt echter verder dan zijn 27 Grand Prix-overwinningen en zijn veertig podiums. “Als ik eraan terugdenk, denk ik vooral aan de mensen om me heen. Met mijn vader in het busje, honderdduizend mijl per jaar… Mijn vader overleed ruim twintig jaar geleden, en ons laatste gesprek ging over díe tijd, niet over mijn kampioenschappen. En met Erv… Van hem leerde ik hoe ik voor HRC dingen kon ontwikkelen. En als ik aan meneer Honda denk, denk ik aan hoe hij mij bij hem thuis bij mijn schouders vastpakte en ‘dankjewel’ zei nadat ik (in 1983, red.) de 500 cctitel had gewonnen. Op dat moment had hij zijn hele leven gewacht. De racerij heeft me zo veel gebracht, maar de dingen die ik echt koester zijn toch de momenten met mensen.”

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.