+ Plus

Reizen Olympische Spelen Berlijn 1936

Maar liefst acht gouden medailles wist Nederland afgelopen maand op de Olympische Spelen in Rio in de wacht te slepen. In 1936 verzamelde in Berlijn één van de meest veelbesproken Olympische atleten ooit in z’n eentje de helft van dat aantal. De gekleurde Amerikaan Jesse Owens pakte in de stad waar destijds meer swastika’s dan Olympische ringen wapperden vier keer het hoogste eremetaal en gooide daarmee eigenhandig zand in de raderen van Hitler’s propagandamachine, die met de Spelen de superioriteit van het Arische ras wilde bewijzen. Tachtig jaar later treden we in een hip Berlijn in de sprintersporen van deze sportheld.

Als hommage aan Jesse Owens ondernemen we de trip met een tweetal toepasselijke motoren. Een symbolisch zwarte Yamaha XJR1300 en de Yamaha VMax als octaansprinter: statement en snelheid. Met de rugzak op de schouderbladen voelt de fotoapparatuur als een zware training. No pain, no gain. De XJR glijd met het grootste gemak over de Autobahn en regelmatig spreek ik zijn conditie aan en trek de hendel open tot 180 km/uur. Om de luchtweerstand te verminderen leg ik het bovenlijf op de tank en beide ellenbogen op de knieën. Bij het gebrek aan een adequaat windscherm biedt dit het meeste comfort. De snelheidsmeter kruipt langzaam richting de 200, waarbij de helm minstens 15 op de Schaal van Rigter schudt en trilt. Bij de laatste tankstop ben ik bovendien vergeten de oordoppen in te doen, de rijwind beukt daarom permanent als een startende Saturnusraket tegen beide trommelvliezen. Dat wordt vanavond weer schreeuwen aan tafel. Om reisgenoot Hans in de gaten te houden moet ik m’n ellenboog optillen, zodat ik hem nog net in het kleine spiegeltje kan spotten. Afzakken naar 170 km/uur en vervolgens komt de VMax met vol vermogen voorbij alsof hij is geïnjecteerd met vijf varianten van de meest prestatie verhogende anabolen. M’n ogen knijpen verder dicht, terwijl de XJR een vergeefse poging onderneemt de VMax bij te houden. Hans laat de Japanse musclemotor afzakken en steekt zijdelings z’n duim euforisch omhoog. Als waarnemend chef de mission retourneer ik op sportieve wijze de middelvinger. We grijnzen en moeten weer eens stoppen voor brandstof.

Bij Hannover ontfermen we ons eerst over twee kebabschotels, voor we aan het laatste deel van de reis beginnen. Dit rit wordt kouwelijker als het zachtjes gaat regenen. De eeuwige en eindeloze Baustelles doen het gemoed niet bepaald goed, ook nu weer kruipend verkeer. Bedachtzaam manoeuvreren we door de file. Bij de wet is dat hier namelijk niet toegestaan. M’n kennis over de Duitse verkeerswetgeving was voorheen summier, wat op een bepaald moment bijna resulteerde in een knokpartij met een busje vol ‘Ozzie’ bouwvakkers. Die pikten het namelijk niet dat we met onze colonne motoren de slenterende stoet vierwielers inhaalden. De wet is hier een bevel. Opvallend is wel dat iedereen hier netjes zijn eigen rijbaan houdt, dat geeft toch beduidend minder stress tijdens het ‘hufterige’ passeren. Een enkele automobilist knippert verontwaardigd met z’n koplampen, maar het overgrote merendeel gaat ruimschoots aan de kant. Sommige autochtone motorrijders volgen ons recalcitrante voorbeeld, anderen volgen toch liever de letterlijke woorden van de wet. Uiteindelijk kunnen we weer accelereren en kilometers vreten. En ook goed, vanaf de voormalige Oost-Duitse grens nemen de zonnestralen en de temperatuur gelukkig toe. We passeren Magdeburg en nog wat tankbeurten later staat Berlin-Zentrum aangegeven. Vlak voor de eindstreep halen we wederom flink uit. Onze gashendels trekken de mondhoeken resoluut omhoog. Gouden momenten van puur motorgenot.
In stijl van 1936 rijden we zonder navigatie door de levendige binnenstad. Als kinderen van de Koude Oorlog willen we direct naar Checkpoint Charlie. De melodie van ‘Over de muur’ van het Klein Orkest neurie onder m’n helm mee, op het achtergrondkoor blazen de dempers hun partijtje mee. En zo belanden we niet veel later bij de metropolitische Alexander-Platz. De stad ademt hier een dynamische toegankelijke drukte. Jong en oud flaneert, vergaapt, fotografeert en oriënteert zich. Mijn herinneringen gaan terug naar de zomer van 1990. Naar de Vopo’s en Russische militairen die hier toen relaxed rondliepen op een dodelijk saai plein. Naar goed voorbeeld van de Oost-Duitsers stonden we toen elders met hamer en beitel in De Muur te bikken. Onvergetelijke momenten. Het intimiderende gevoel van destijds is nu geheel afgebroken door de architecten die Berlijn z’n hippe grandeur hergaven. Vanwege de vermoeidheid van de reis is de drukte overweldigend. Maar Berlijn smaakt nu al naar meer. Dat proef je, dat zie je, dat hoor je. Een opgewekte reisgids uit Costa Rica legt uit waar Checkpoint Charlie ligt. Maar eerst nog een paar selfies voor het thuisblijvers die zich niet kwalificeerden voor deze trip. Een paar kilometer verder staan we bij de historische grensovergang. Hordes toeristen fotograferen onophoudelijk de figurerende soldaten tegen een kleine vergoeding. De Stars and Stripes wordt fier gedragen door deze welwillende toneelmilitairen. We nemen een kijkje in het Muur-museum en bij de talloze andere bezienswaardigheden die herinneren aan deze koude episode uit de nog altijd wel recente Duitse geschiedenis. Het zonlicht dooft en we spreken af dat we hier morgen de draad weer oppakken.

Op de vroege zaterdagochtend rijden we weer naar het Zentrum. Het ‘Rode Gevaar’ waart nog altijd door Berlijn, of beter gezegd de ‘Rode Irritatie’ in de vorm van de honderden stoplichten waarvoor we constant moeten wachten. Een groene golf kennen ze hier klaarblijkelijk niet. Anderzijds geeft dat weer de tijd om bij iedere stop eens goed om ons heen te kijken. De militaire figuranten herkennen ons nog en maken d’r een fotofeestje van. We salueren bij wijze van afscheid. Op naar het Olympisch Dorp dat ten westen van de stad ligt. Vervallen flats uit de DDR-tijd staan om het oude sportdorp heen gebouwd. De tand des tijds heeft z’n werk meer dan vakkundig gedaan. Afgebladderde verf, overwoekering en leegte. In 1936 stonden hier op het van oorsprong militaire terrein maar liefst 140 woonblokken voor de spelers. De motoren laten we achter bij de eenvoudige entree van een bouwval dat ooit een propagandistisch pronkstuk was. De originele entree is na de oorlog gesloopt, waarschijnlijk nadat het door een bombardement in 1945 zwaar was beschadigd.
Toch overvalt de tijdgeest van tachtig jaar terug ons enigszins. Een leeg oefenzwembad en een verweerd turnpaard spreken tot verbeelding. Het gras tussen de bebouwing groeit overal hoog. Gebouwen uit een tijd waarin de politieke zeis het maaiveld op brute wijze kort hield. Er lopen gelukkig weinig bezoekers. Even later staan we voor het slaapkamertje waar Jesse Owens ruim acht decennia geleden droomde over gouden medailles, en deze ook daadwerkelijk won.
James Cleveland Owens werd in 1913 geboren in het racistische Alabama. Zijn vader werkte op een katoenplantage, diens vader was nog slaaf geweest. Jesse werkte al vanaf zijn zevende en verhuisde twee jaar later naar de staat Cleveland. Al snel bleek dat hij uitblonk in de atletiek, waarna hij toetrad tot de staatsuniversiteit van Ohio. Ondanks zijn onbetwiste talent ontkwam Owens ook hier op de universiteit niet aan de rassenscheiding, die destijds in Amerika nog heel gewoon was.
In 1935 staat Amerika versteld als Jesse op een groot nationaal sporttoernooi binnen 45 minuten zes wereldrecords breekt! Zijn ticket naar Berlijn was verzekerd. Toch waren er internationale protesten om de Spelen in Duitsland te boycotten vanwege de antisemitische en raciale haatzaaierij van de nazi’s. Hitler beloofde beterschap en liet de Joden, zigeuners en zwervers voorlopig met rust voor het oog van de wereld. Duitsland presenteerde zich voorbeeldig als vredelievend rijk. Anderzijds achtte het Amerikaanse Olympische Comité sowieso de sport belangrijker dan politiek. Berlijn hulde zich tijdens De Spelen in schaapskleren, zo mochten zelfs gekleurde atleten zich toen overal in de stad vrij rond bewegen en ondervonden ze geen racisme. Vandaag de dag uiteraard heel normaal, destijds echter een unicum.
Jesse Owens haalde goud op de 100 meter, 200 meter, verspringen en de 4 x 100 meter estafette. En dat onder de ogen van een regime dat met de Spelen de superioriteit van het Arische ras wilde bewijzen en kleurlingen als minderwaardig beschouwde. Deze bedenkelijke theorie haalde gelukkig niets van de glans van Jesse’s overwinningen af. Integendeel, de rest van de wereld lachte stiekem in hun vuistjes. Adolf Hitler was aan het begin van de Spelen nog op zijn vingers getikt door Olympische waarnemers. Hij had enkel Duitse medaillewinnaars gefeliciteerd en niet de anderen. Het protocol dicteert echter dat je iedereen feliciteert of niemand. Hitler koos voor de laatste optie. Saillant detail is dat Jesse Owens beweerde dat Hitler wel naar hem had gezwaaid. In Amerika was het wat betreft racisme overigens niet veel beter gesteld, bij terugkomst werd Jesse Owens als zegevierende kleurling niet eens uitgenodigd op het Witte Huis. Achteraf vertelde hij hier nog over: “Ik werd niet uitgenodigd om Hitler de hand te schudden, maar ik werd ook niet uitgenodigd op het Witte Huis om de president de hand te schudden.” Na de ticker-tape-parade in New York (huldigingsoptocht) moest hij zelfs de goederenlift van het Waldorf-Astoria hotel gebruiken om naar zijn eigen erereceptie te komen. De prestaties van Jesse werden met stijgend respect bewonderd, zowel in binnen- als buitenland. In 1951 werd hij in hetzelfde Olympisch Stadion door 75.000 Berlijners als een held ontvangen. In 1976 kreeg Jesse de Medal of Freedom uit handen van president Ford. Een van de hoogste Amerikaanse onderscheidingen.

Een groot gebouw in het Olympisch dorp is het Speisehaus der Nationen. Hierin bevinden zich 38 eetzalen waar de atleten hun nodige proteïnen verorberden. We lezen dat het gebouw na de Spelen dienst deed als ziekenhuis. Het complex werd omgedoopt tot kazerne toen de Olympische vlam in 1936 doofde. In Berlijn zelf laaide het vuur een paar jaar later weer flink op, na de oorlog verbleven de Russen in het dorp. Menig blok is toen gesloopt omwille van ‘Plattenbau’, grote lelijke woonblokken van beton. Toen het Russische leger zich in 1992 terugtrok verviel het geheel in rap tempo. Het spookdorp heeft de geest nog niet gegeven. Sinds 2004 is het pas geopend voor bezoekers en inmiddels zijn er plannen om het complex te restaureren. Daar waar het kan turen we door de vuile ramen naar binnen. De locatie worstelt tussen een dubieus verleden en de Olympische erfenis.
Vanwege de marathon van Berlijn kunnen we helaas niet bij het stadion komen. De missie wordt daarom bijgesteld, we koersen naar de Siegezeule en de zonovergoten Rijksdag. Omdat het zaterdag is het wat verkeer betreft heerlijk rustig, van hectiek is geen sprake. Uiteraard paraderen we op onze motoren langs het laatste stukje van de Muur in de stad. De VMax blijkt een ware publiekstrekker. Vooral Aziatische toeristen poseren maar al te graag bij het steroïde-beest. De zendtoren op het Alexanderplatz blijkt overigens een prima oriëntatiepunt voor het bezoeken van enkele toeristische trekpleisters. Zoals de grote Bahnhof in het centrum, dat we enkele keren passeren uit bewondering voor de architectonische schoonheid ervan. De stadssfeer die hier overal hangt is prima en vooral uitnodigend. We stoppen bij het Russische oorlogsmonument van de Slag om Berlijn en staan stil bij wat hier in april ‘45 is gebeurd. In de middag ondernemen we een tweede poging voor een bezoekje aan het oude Olympisch Stadion (Olympiastadion). De asfaltzwoegers staan inmiddels elders onder een warme douche. We mogen naar binnen en betreden wat nu de voetbaltempel is van Hertha BSC. Jaarlijks wordt hier traditioneel de Duitse bekerfinale gespeeld. De opbouw van het stadion is hetzelfde als in 1936, al zijn de staanplaatsen wel vervangen door zitplaatsen. En alle tribunes zijn nu overdekt. Bizar om hier zo rustig rond te lopen. In 1936 was dit een kolkende arena waar winnen veel belangrijker was dan meedoen.
Aan het eind van de dag pakken we de laatste zonnestralen mee bij de Brandenburger Tor. Een gezelschap dames stapt uit een limousine en laat zich bij hun voertuig en de motoren fotograferen door de chauffeur. We blijven tot de hemel zwart is en de architectuur baadt in het ambergele schijnsel kunstlicht. Heden wordt weer voor heel even verleden…

Wanneer we de volgende ochtend de terugtocht inzetten rijden we langs Tempelhof. In de jaren ‘30 vormde dit vliegveld de blauwdruk voor de toekomst van het reizen per vliegtuig. Het kilometers lange, kromme gebouw geldt nog steeds als een van de grootste gebouwen in de wereld. In 1948 werd Berlijn via Tempelhof bevoorraad door het westen toen de Koude Oorlog ontaarde. Inmiddels is het gesloten en beraadt Berlijn zich over de toekomst van het immense bouwsel. Het merendeel van de Berlijners wil dat het in authentieke staat blijft. Onze nieuwsgierigheid krijgt weer eens de overhand. We slingeren beide motoren om diverse slagbomen en rijden naar de startbaan. Daar is de megalomane omvang van het gebouw goed te zien. Een oude Dakota staat onder de veertig meter brede overkapping. Voordat we een memorabel sprintje over de startbaan kunnen trekken, komt aan de lol een vroegtijdig einde. Een busje met meerdere medewerkers verzoekt ons, heel vriendelijk, de motoren te verwijderen. We vragen nog tevergeefs of ze de bus willen ruilen voor onze motoren, aangezien onze achterwerken inmiddels licht beginnen te protesteren. De grap wordt gewaardeerd. Met Berlin-Tempelhof langzaam in de spiegels verdwijnend, zit het bezoek aan de Duitste hoofdstad er alweer op. De stad die lang wegkwijnde toen twee lijnrecht tegenover elkaar staande mogendheden er de scepter zwaaiden, bloeit als nooit tevoren. Een stad die goud waard is!

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.