+ Plus

Reizen Laos

Azië is en blijft een bijzondere wereld. Alles is er anders dan in ons strak geregisseerde Europa, zeker in een wat minder bekend land als Laos. Tijd voor een ontdekkingstocht, niet over gebaande wegen, maar zoveel mogelijk door gebieden waar toeristen net zo zeldzaam zijn als sneeuwscooters in de woestijn!

Ingeklemd tussen Thailand, Myanmar, China, Vietnam en Cambodja is Laos vooral bekend onder backpackers. Voor een strandvakantie hoef je er niet naar toe, want het land grenst aan geen enkele zee. Tot 1991 was Laos een gesloten land waar je als buitenlander niet gemakkelijk binnen kwam, maar vanwege zware economische problemen (mede veroorzaakt door de ineenstorting van de Sovjet Unie) ging er een andere wind waaien door Laos. Zo gingen de deuren open voor toeristen. Nog altijd is het land communistisch, al merk je daar in de praktijk nauwelijks iets van. Iedereen handelt er lustig op los en er rijden heel veel dure (Japanse) auto’s. Dertig jaar geleden waren er in de hoofdstad Vientiane amper asfaltwegen, laat staan in de rest van het land. Ondertussen zijn die er wel, maar het grootste deel verkeert in zo’n erbarmelijke staat, dat rijden op zo’n weg al snel onder het kopje ‘offroad’ valt.
Wat heb je er dan als motorrijder te zoeken? Nou, het toeval wil dat Ronald ter Heide tien jaar geleden op motorvakantie was in Vietnam en daarbij een dagtrip naar Laos maakte. “Vietnam was mooi, maar Laos beviel me direct veel beter, het land is veel relaxter”, aldus Ronald. Bovendien zijn de offroad mogelijkheden enorm, en zo kan het dat hij tien jaar later offroad reizen door Laos organiseert. En dan vooral in het noordwesten. “Daar kronkelt de Mekong rivier door het ruige berglandschap, alles is groen. Prachtig”, maakt Ronald ons enthousiast.
Twee weken op een motor door de jungle en het stof van Laos trekken vergt net wat meer voorbereiding en een andere instelling dan een weekendje Sauerland. Dat begint al maanden van tevoren, je moet immers de juiste inentingen hebben gehad. Laos is een tropisch land en in sommige gebieden komt nog malaria voor. En wat betreft juiste instelling, ga er maar vanuit dan lang niet alles loopt zoals gepland. Een motor kan stuk gaan of er wordt iemand ziek. Even 112 bellen, de ANWB oproepen of een huisartsenpost opzoeken is er niet bij. Je zult je problemen onderweg zelf op moeten lossen, want een assistentievoertuig is er eveneens niet. Alles wat je onderweg nodig hebt, zeul je mee in een rugzak en een tasje achter op de motor. Het is dus zaak om vooraf goed uit te kienen wat je wel en niet mee moet nemen. En vooral wat voor (motor)kleding je aan moet trekken. Niet zelden is de temperatuur ’s morgens onder de tien graden. Ben je een paar uur verder dan is het kwik gestegen tot boven de 35 graden. Gelukkig geeft de organisator vooraf goed en bruikbaar advies wat je wel en niet mee moet nemen.

December, januari en februari zijn de maanden waarin je kunt reizen, in alle andere maanden is het te nat en/of te warm. Lekker twee weken de Nederlandse winter ontvluchten kortom. Na een tussenstop in Bangkok komen we na 24 uur reizen in de Laotiaanse hoofdstad Vientiane. Na een dag acclimatiseren worden de motoren opgehaald. Een Honda CRF250L is niet bepaald een machine met een overdosis aan vermogen, maar het viel me de laatste tijd op dat veel wereldreizigers vertrouwen op machines van meer bescheiden formaat. In Laos is een 250cc Honda overigens al een zware motor, het gros van de tweewielers hier komt net boven de 100cc uit. In de stad krioelt van de scooters, maar een echte chaos is het niet. Daarvoor zijn de Laotianen veel te rustig van aard.
Onze start kent een kleine vertraging omdat de accu van Ronalds motor, een Honda XR400, niet bijlaadt. Op zich niet erg, want we kijken onze ogen uit in de ‘garage’ waar de XR gemaakt wordt. De motoren liggen er nog net niet opgestapeld, een fatsoenlijke werkbank ontbreekt en sleutelen doen ze gewoon voor op de stoep. De monteurs zijn wel kundig, want al snel is het probleem oplost en kunnen we op weg.
Eerst is het nog druk, maar eenmaal buiten de hoofdstad wordt het alsmaar rustiger en rustiger. We volgen de Mekong richting noorden en al na 150 kilometer volgt de eerste beproeving. Een twintig meter breed, totaal verrot gereden gravelpad. Veel harder dan 30 km/uur halen we niet, de paar auto’s die er rijden gaan bijna stapvoets. Welkom in het binnenland van Laos. Later worden de wegen beter, hoe minder verkeer, hoe minder de weg kapot is gereden. Een asfaltweg zonder gaten is hoogst zeldzaam. In bochten hebben zware trucks het dunne laagje asfalt kapot gereden. De lichte offroads hebben er geen moeite mee, wijzelf wel, met name door het stof. Iedere avond zien we eruit alsof we net een Dakar-etappe achter de rug hebben.
Omdat we ’s morgens vroeg vertrekken, zijn we meestal ruim voor het donker bij de volgende accommodatie. Dat geeft iedereen de mogelijkheid om de plaatselijke omgeving te verkennen. Aan tempels, winkeltjes, restaurantjes, barretjes, eetkraampjes en bromfietszaakjes geen gebrek. Die laatste komt mooi van pas wanneer bij een van de motoren het subframe afbreekt. Met spanbanden hebben we de zaak bij elkaar weten te houden tijdens het rijden, maar een lasapparaat is nu best welkom. Behalve dit akkefietje en twee lekke banden blijft technisch malheur ons overigens verder bespaard. Opvallend in de wetenschap dat de CRF’s al 70.000 kilometer op de teller hebben staan. Motorisch zijn die dingen onverwoestbaar.

Door Laos reizen is meer dan alleen motorrijden. Meer dan eens stuiten we onderweg op opvallende tafereeltjes (ooit een volwassen olifant in een open bakwagen op transport gezien?), bovenal is er ook ruimte voor andere zaken. Zoals de Gibbon Experience. Dit zipline-project is door een Fransman opgezet om fondsen te werven voor bescherming van de jungle en met name de Gibbon apen. Het kost een paar centen (200 euro voor de tweedaagse tour), maar de onvergetelijke ervaring is iedere cent waard. Na een uurtje of drie klimmen en klauteren dient zich de eerste ziplijn aan. Je krijgt een tuigje met een katrol aangemeten, waarna je vrolijk boven de boomtoppen van heuveltop naar heuveltop zwiert. Sommige lijnen zijn wel 500 meter lang. Een geweldige belevenis, zelfs voor iemand met hoogtevrees. De magistrale middag eindigt met een overnachting in een boomhut op 30 meter hoogte. Twee alleraardigste dames zorgen ’s avonds en ’s morgens voor prima eten en maken het bed voor je klaar, inclusief klamboe. “Zorg dat je alle persoonlijke spullen binnen de klamboe zet en laat nergens voedsel slingeren, anders gaan de ratten er mee aan de haal”, klinkt het waarschuwend. Wie er op rekent Gibbons te zien, komt trouwens bedrogen uit. Deze uiterst schuwe dieren houden zich veel dieper in de jungle op.
Na het Gibbon intermezzo gaat de reis verder naar het noorden, waar we in de buurt van de grens met Myanmar en China komen. We zien steeds meer Chinese kentekens. Op onze route door gebieden waar dorpjes uren rijden van elkaar verwijderd zijn, worden we een steeds grotere bezienswaardigheid. Niet zelden loopt het hele dorp uit om te kijken wat voor rare snoeshanen er zijn neergestreken. Overal is iedereen vriendelijk, alleen vergaat het communiceren enigszins problematisch. Niemand spreekt er Engels of een andere westerse taal. Wel komt er op een gegeven moment een jongen op ons af die een paar woorden Engels spreekt. “Mag ik met je praten, dan kan ik mijn Engels oefenen”, vraagt hij heel beleefd. Vol trots geeft hij aan dat hij ons wel een rondleiding door zijn dorp wil geven. Helaas, we hebben de tijd hard nodig om voor het donker uit de rimboe te geraken. Vooraf was er de angst dat benzine tanken wel eens een probleem kon worden, maar dat blijkt totaal niet het geval. Op doorgaande wegen zijn meer dan voldoende tankstations. In de afgelegen dorpjes wordt benzine aangeboden in flessen. Regelmatig hebben we daar gebruik van gemaakt, want je weet maar nooit hoe lang het nog duurt voor je weer in de bewoonde wereld bent.
Een paar jaar geleden moest je volgens Ronald bij binnenkomst van bijna iedere grotere stad je legitimatie en internationaal rijbewijs laten zien, maar dat is inmiddels niet meer het geval. Sterker nog, tijdens de hele reis hebben we niet een politieauto gezien. Enkel een paar mensen van ‘traffic control’, die tijdens het spitsuur de stroom scooters in goede banen probeert te leiden. Tevergeefs weliswaar, maar de best man heeft in ieder geval iets omhanden.

Laos is een land met vele gezichten. De ene dag rijden we over wegen en door afgelegen dorpjes, waarbij er nauwelijks iets te zien valt. Een dag later gaat het door de jungle en heb je al je zintuigen nodig om te genieten van de omgeving en je te concentreren op het smalle pad. Soms voel je je een hele held wanneer je met je CRF-je door een fikse modderpassage bent geploegd. Als je dan vervolgens een stuk verderop de plaatselijke jeugd op blote voeten op een oude brommer hetzelfde ziet doen, vervliegt het stukje heroïek weer snel.
Onder toeristen die Laos bezoeken wordt de stad Luang Prabang zelden overgeslagen. Deze vierde stad van Laos, met circa 50.000 inwoners, ligt gelukkig op onze route. De stad is vooral bekend om haar rijke historie en de vele tempels. Sinds 1995 maakt de stad deel uit van het Unesco Werelderfgoed. Tot 1545 was Luang Prabang de hoofdstad van Laos, letterlijk vertaald betekent Luang ook ‘koninklijk’. Waar veel tempels zijn, zijn ook veel, in oranje gewaden gestoken monniken. In alle vroegte maken zij op een aantal plekken in de stad een (bedel)ronde voor rijst of ander voedsel. De stad richt zich verder helemaal op de grote horde backpackers. Heel veel hostels, wasserettes, restaurantjes, scooter- en fietsverhuur bedrijfjes, barretjes en natuurlijk felgekleurde tuk tuks. Wanneer je de tempels wilt bezoeken, zorg dan dat je een korte broek draagt die minimaal de knieën bedekt, anders kom je er niet in. Zo’n 30 kilometer buiten de stad vind je een andere trekpleister die je niet mag missen: de Kuang Si waterval. In het echt nog mooier dan op de talloze foto’s in reisbrochures. De waterval wordt niet gevoed door regenwater, maar door een verderop gelegen bron. Hierdoor is de wateraanvoer het hele jaar door vrijwel constant. Minstens zo mooi als de waterval zelf zijn de terrasvormige waterbekkens waaruit weer kleinere watervallen ontspringen. Voor de beklimming naar de top van de waterval heb je een redelijke conditie nodig. Het blijkt een heel stuk intensiever dan een dag motorrijden, zo ondervinden we aan den lijve.

Tussen Luang Prabang en ons eindpunt Vientiane ligt nog één stop: Vang Vieng. De route erheen, eerst uren door niemandsland, blijkt een spannende. Nieuw voor ons, maar ook voor onze gids. Een echte expeditie dus! We hebben wel een (oude) track, maar die blijkt niet meer te kloppen. Ook in de jungle verandert er wel eens wat. Juist op het moment dat we twijfelen tussen teruggaan of verder ploeteren, komt er een hondje aangelopen. Waar honden zijn, zijn ook mensen. En inderdaad, een beekje, een modderhelling en een boomstammetje verder stuiten we op een hutje met een paar mensen. En een oud brommertje. Als die er kan komen, dan kunnen wij er ook door. Het blijft nog enkele uren spannend, maar uiteindelijk komen we op een doorgaande weg uit. Die weg brengt ons uiteindelijk naar het hoogste punt (1.850 meter) van de trip. Helaas geen zicht door de dichte mist, wel een weg die twee jaar geleden na een aardverschuiving is verdwenen. Geen probleem, voor een stukje onverhard draaien wij inmiddels onze hand niet meer om.
In de buurt van Vang Vieng, hét backpackersdorp van Laos met tal van outdoor activiteiten (tubing, kanoën, buggy rijden, klimmen, grotten bezoeken etc.), stuiten we op karakteristieke karstrotsen, zoals je die ook veel op andere plekken in Azië vindt. De gids vindt het in Vang Vieng eigenlijk maar niks, veel te toeristisch en veel te veel ‘raar’ volk. Vreemd genoeg voelen wij ons er prima thuis!
Terug in Vientiane betekent terug in de drukte, met verkeerslichten die precies aangeven hoe lang je nog moet wachten. Een geregeld leven weer, een heel contrast met de afgelopen twee weken die werkelijk voorbij zijn gevlogen. Khob tjai lai lai Laos! Ofwel Laos, hartelijk bedankt!

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.