+ Plus

Reizen Corsica

Voor veel motorrijders is Corsica de droombestemming voor een eerste reis naar het zuiden. Het mediterrane eiland en tevens officiële regio van Frankrijk wordt echter door velen veel te laat ontdekt. Waarom eigenlijk?

Zoals dat wel vaker gaat tijdens de lange wintermaanden, komen mijn compagnon Volker en ik bij elkaar om te overleggen waar we naar toe willen op de eerste motorreis van het jaar. “Wat denk je van Corsica?” “Corsica? Ben ik nog nooit geweest.” “’Wat? Nog nooit op Corsica geweest?! Zeven continenten, tachtig landen en 600.000 kilometer gereden, maar Corsica heb je overgeslagen?” Tja, met zulke argumenten is verzet natuurlijk zinloos, dus plannen we onze reis naar dit Franse eiland middenin de Middellandse Zee. We kiezen meteen voor de meest spannende landing op het eiland: vanuit Sardinië zien we de ferry voor de spectaculaire witte kliffen van Bonifacio langs glijden. Hier balanceren huizen roekeloos op de overhangende rand van de kalkstenen rotsen. Het is hier niet een kwestie van of, maar eerder wanneer er weer een groot stuk van de kwetsbare rots de zee in stort, daarbij misschien zelfs een huis meesleurend de diepte in. Dat kan overmorgen gebeuren, of pas over duizend jaar; niemand kan het kunnen zeggen. Een onzekerheid die nou eenmaal hoort bij het wonen boven een afgrond. Langs ontelbare trappen van Bonifacio klimmen we omhoog naar het met dikke vestingmuren omringde oude stadscentrum. Hierboven is er niets te zien van de altijd aanwezige dreiging van de afgrond. Het stadje blijkt een wirwar van smalle straatjes, soms niet veel breder dan een auto. Ze liggen ingeklemd tussen hoge oude gebouwen, waarvan enkelen prachtig zijn gerestaureerd en anderen zo vervallen dat het bijna deprimerend maakt. Alles ademt echter een fascinerende sfeer uit, maar tegelijk ook beklemmend, benauwd en donker.

We hebben wel weer genoeg stad gezien, tijd om er op uit te trekken. Vroeg in de ochtend wordt de Ténéré opgezadeld, we zetten koers naar de oostkust. Het is hier behoorlijk saai, de stranden zijn vaak particulier bezit, de weg recht, de heuvels staan vol met villa’s en vakantiehuisjes. De kust laat zich hier niet bepaald van haar mooiste kant zien. Na zeventig kilometer hebben we er meer dan genoeg van en in het kustplaatsje Solenzara sturen we weg van het water, hup de bergen in. De smalle D268 volgt de vallei tot aan de Col de Larone. Hier begint de pret pas echt. Vóór ons boren zich de bizarre, bijna tweeduizend meter hoge rotstorens van Aigles de Bavella de diepe blauwe hemel in, bergen die door hun uiterlijk sterk doen denken aan de Dolomieten. Rechte lijnen zijn er hier niet, in de mooiste bochten die met asfaslt geschilderd kunnen worden klautert de weg omhoog naar de Col de Bavella. Monumentale dennen groeien voor verticale rotswanden, een prachtig landschap en gelukkig lichtjaren verwijderd van de lelijke oostkust. Wat is het mooi hier boven.
De weg gaat weer naar beneden, naar Zonza. Daar aangekomen rijden we, onder luid commentaar van een groepje scholieren, drie ere rondjes over de kleine rotonde. Na de derde keer zie ik eindelijk het bord richting Aullène en kunnen we weer verder.
En precies zo had ik me Corsica voorgesteld: bergen zo ver het oog reikt, met zo nu en dan uit grof bruin puin gehakte, kleine dorpjes, die met elkaar verbonden zijn door kronkelende, autovrije wegen. Wel jammer dat de regen van de afgelopen week zoveel zand en vuil op de weg heeft gespoeld. In combinatie met de wisselende kwaliteit van het asfalt en de soms erg onvoorspelbare loop van de bochten, maakt dat het even lekker opvoeren van het tempo tot een niet verstandige keuze. Ik slinger over de weg als een groentje en erger me aan zand, grind, stenen, half wilde zwijnen en geparkeerde koeien op de weg. Maar hoe dichter bij de westkust, hoe beter het wordt. Hier heeft het nog niet geregend, de straten zijn schoon, een beetje breder ook en de bochten wat minder stiekem. En de paar bruine varkens die we zien hebben duidelijk minder zelfmoordneigingen. Vlakbij het kustplaatsje Popriano vinden we een leuke camping. De campingbaas vertelt over een storm in het zuiden van Frankrijk, ongebruikelijk voor deze tijd van het jaar. Maar we hoeven ons geen zorgen te maken, het lagedrukgebied reikt niet tot aan Corsica, het zal hooguit flink gaan waaien.

Nu is de Middellandse Zee zo kalm als een lieflijk bosmeertje, maar de storm die eraan zit te komen zou de zee aan de kook moeten brengen en golven tegen de westkust sturen. Dat willen we wel eens meemaken, direct richting westen daarom. Maar niets beweegt: de zee niet, de lucht niet, er is geen wolkje aan de lucht zelfs. We blijven in de buurt van de kust, het kan immers niet al te lang meer duren, zo is onze gedachte. Daarom volgen we eerst maar eens de D155 naar het noorden.
Wat een prachtige ochtend. Fluweelzachte, warme lucht. De geur van bloeiende macchia, het weidse uitzicht op de bergketens aan de Golf van Valinco, zo af en toe een heerlijk kop koffie. En verder gewoon rijden en genieten. In de relaxte sfeer van deze ochtend besluiten we in een overmoedige bui dwars door Ajaccio naar Punta de la Parata te rijden. Dat blijkt geen slimme zet. Meer dan een uur in de file staan om de weinig inspirerende landtong te bekijken, waarna we weer omdraaien en weer terug moeten door datzelfde Ajaccio. De ergernis die nog is blijven hangen verdwijnt echter als sneeuw voor de zon door een droom van een weg in de vorm van de D81. Aan onze linkerkant de zee, terwijl aan de heldere horizon de hoge pieken van het eiland hun vormen tonen. En dan nog die ongelooflijke passen Punta Vida, Bocca di San Matino en Col di Lava, die ervoor zorgen dat we met een permanente grijns in onze helm rijden.
En dan, bij Piana, is ‘ie daar. Zonder aankondiging, zonder enige vorm van marketing of reclame staan we zomaar oog in oog met de bloedmooie Golf van Porto. Als de kers op de Corsicaanse taart en een van de mooiste kustlandschappen ooit. Verticale kliffen, bizarre gele granieten torens, die eruit zien als vreemd gevormde meesterwerken door jarenlange erosie. Ver in de diepte bewegen de golven van de zee zich traag heen en weer. Dit zijn de Calanche van Piana. Natuurlijk had ik er al over gehoord, Volker was er lyrisch over, maar nu hier, in het echt en badend in het zachte avondlicht, is het zoveel mooier dan ik me had kunnen voorstellen. In ben op slag verliefd en rol in slow motion naar beneden naar het stadje Porto, waar ik eenmaal weer terug op aarde, op zoek ga naar een geschikte uitvalbasis voor de komende dagen. ’s Nachts trekt de wind flink aan en modelleert golven tot soms wel vier meter hoog. Het water wordt de baai in gedreven, waarna de golven zich met brute kracht op het kiezelstrand werpen of tegen de rode rotsen uiteen spatten in torenhoge wolken van mist. Vandaag krijgt de zee alle aandacht.
Meer naar het noorden schiet de D81 in een hogere versnelling, balanceert soms roekeloos op de verticale wand met alleen een kniehoog muurtje om je te beschermen tegen een onfortuinlijke val die ver beneden in zee eindigt. Het uitzicht vanaf de Col de Palmarella verandert bijna elke seconde. De weg kronkelt onafgebroken om droombaaien heen, zoals die van Bussaglia, en voert verder over ruige rode bergen, die recht uit de zee gegroeid lijken. Voor motorrijders de ultieme droom, voor anderen, zoals de enorme toerbussen die hier eveneens rijden, een nachtmerrie. Het is onvoorstelbaar dat ze hier überhaupt mogen rijden. Op de terugweg naar Porto staat er een volledig ingeklemd in een smalle bocht. De chauffeur heeft uitzicht op een leger van campers. Rien ne va plus. De bus kan onmogelijk achteruit, de campers kunnen ook geen kant op, deze impasse kan nog weken duren! Met slechts een paar krassen op de koffer, lukt het me op een of andere manier om de Yamaha tussen de bus en de rostwand door te wurmen. Voor mijn part blijft iedereen hier overwinteren, ik ben weg.

De volgende ochtend golft de zee lui in de baai. Een beetje té lui voor ons, tijd voor wat actie in de bergen. Door de diep ingekerfde Spelunca kloof met een oude Genuese brug rijden we over de D84 omhoog. Een mooie weg met fijne bochten en met in onze spiegels keer op keer prachtige vergezichten over bergen en valleien richting zee. Een perfect plaatje, ware het niet dat de Corsicanen wel heel erg op hun vrijheid gesteld zijn, óók op de weg. Lokale automobilisten laten zich niet dicteren door een middenstreep en razen langs de ideale lijn de bergwegen af, tegenliggers of niet. In plaats van de bescheiden Japanse toeter op de Yamaha zou ik liever een flinke scheepshoorn op de Ténéré hebben om de vrijheidsdrang van de Corsicanen in ieder geval iets te kunnen inperken.
Evisa, Col des Vergio, Albertacce, Corte. Hier beginnen de dichte dennenbossen, die worden afgewisseld met weilanden en een waterreservoir, waarna uiteindelijk de ruige kloof van Scala di Santa Regina van zich doet spreken. Naar Corsicaanse maatstaven niet bijzonder spannend. De besneeuwde bergen – de hoogste is de Monte Cinto met 2.706 meter – onttrekken zich vandaag grotendeels aan het zicht, omdat er een dik wolkendek rond het dak van het eiland drijft. Twee dagen lang rijden we door de bergen van Corsica, van de doorgaans nogal slechte passen is het chassis van de Ténéré gelukkig niet bepaald onder de indruk. De route voert dwars door slaperige dorpjes, dichte bossen en over uitgestorven wegen.
Voordat de dreigende regen vanuit het zuiden daadwerkelijk op de bergen neervalt, ontvluchten we het slechte weer en rijden noordwaarts naar de vruchtbare Balagne, waar het eiland zich weer van een hele andere kant laat zien. En wat een mooie kant. De zee tussen Calvi en L’Ile-Rousse laat slechts een smalle strook over voor de straat, de dorpjes en akkers. Daarna klimt de weg tussen de weelderige groene bergen steeds hoger naar Monte Padro, op bijna 2.400 meter hoogte. De smalle D71 kronkelt langs schilderachtige locaties, boomgaarden, velden en dorpjes, het een nog pittoresker dan het volgende. Langzaam kruipt de weg omhoog naar zijn letterlijke en figuurlijke hoogtepunt: Speloncato. Het stadje is spectaculair gelegen op een heuvelrug, staat vol kromme, oude muren en is gezegend met een prachtig uitzicht over de verspringende bergketens naar het schiereiland van Cap Corse. Op het centrale plein, waar een hemelse rust heerst door het ontbreken van enig verkeer, slapen twee honden midden op straat een gat in de dag.
Cap Corse bewaren we voor morgen. Of overmorgen. We besluiten nog een paar uur in Speloncato te blijven, een beetje hangen en rondkijken naar het verkeer op het pleintje. We bestellen nog maar een kop traditionele Corsicaanse soep, terwijl ik me serieus afvraag waarom ik niet veel eerder naar dit eiland gekomen ben? Het blijkt eens temeer, de meest exotische bestemming, kan zomaar bijna bij je thuis om de hoek liggen!

Lees meer over

Yamaha

Gerelateerde artikelen

Direct meer lezen? Neem een jaarabonnement
  • Direct toegang tot het digitale archief met meer dan 350 magazines.
  • 24 uitgaven per jaar
  • Elke twee weken thuis in de bus
Direct toegang aanvragen
Een jaar MotoPlus voor slechts 55,-