+ Plus

Interview Co Looijesteijn

Hoewel hij tegenwoordig met acht wereldkampioenschappen en zes Europese kampioenschappen wintertriatlon in zijn leeftijdsklasse een hele mijnheer is, en daarnaast door heel Europa ploegwedstrijden wint, kennen oudere motorrijders Co Looijesteijn vooral als één van de vier racende broers uit de kop van Noord-Holland, die ruim 40 jaar geleden actief waren op de Nederlandse wegracecircuits.

Met het wegracen stond de nu 67-jarige Co Looijestijn meestal in de schaduw van zijn broer Peter, die tussen 1978 en 1981 viermaal Nederlands wegracekampioen werd in achtereenvolgens de 50 cc, 125ccc, 350 cc en 250 cc. Peter overleed op 4 augustus 2012 op 58-jarige leeftijd aan kanker. Co, George en Harry Looijesteijn haalden de hoogste tree op het ereschavot nooit in de wegrace, maar toch zullen velen zich met name Co herinneren, omdat hij als techneut in die jaren grote naam en faam opbouwde. Hij was een echte alleskunner, en in de oude Ford Transit-teambus stond een lasapparaat, een pers en een draaibankje, dus zodra ‘Team Looijesteijn’ arriveerde in het rennerskwartier kwamen veel wegracers met hun kapotte spullen bij Co om ze te laten repareren. Complete frame’s werden er zo in het weiland langs de baan in elkaar gelast. Die technische gave was overigens uit nood geboren, want door het gebrek aan financiële middelen moesten de racende broers vooral veel zelf maken en repareren. Co: “Ik ben een echte autodidact en heb alles zelf geleerd. Gewoon proberen en niet te snel tevreden zijn. Ik ben een preciesiemens en ga net zo lang door tot het lukt of tot iets heel blijft. Er zat ook niets anders op, want we hadden gewoon geen geld vroeger. We woonden met ons gezin met acht kinderen in een verbouwde bloembollenkas in Breezand. Niet de beste basis als je dan met vier broers wilt gaan wegracen. Al hadden we het niet van een vreemde, vader Henk vond niks mooier dan met bromfietsen in de weer zijn en het opvoeren van cilinders. Het duurde dan ook niet lang voordat ik ook met een bromfiets Noord-Holland onveilig maakte. Mijn eerste was een destijds in Nederland gebouwde HMV, daarna kwam er een Batavus en toen zelfs een Zundapp”
“Het racen werd wat serieuzer toen ik uit militaire dienst kwam. Daar had ik wat verdiend, dus werd er een Kawasaki 500 cc driecilinder gekocht om de in die tijd zo populaire sterrendagen op Zandvoort mee te gaan rijden. Dat waren een soort circuitdagen waar je met een wegmotor aan mee kon doen en waarbij de rondetijd werd gemeten. Ik haalde met die driecilinder een ‘130 Ster’, dat wil zeggen dat mijn gemiddelde snelheid over één rondje boven de 130 lag. Mijn grote concurrent was toen de befaamde Herbert Spahn, een heel apart mannetje. Hij was werkzaam in de motorwereld (onder meer importeur van Krauser koffers, red) en leek een sullig kantoormannetje, maar met name op Zandvoort was Spahn bizar snel. Hij kende het circuit als zijn broekzak en wist precies op welke centimeter asfalt hij moest rijden. Op andere circuits was Spahn nergens, maar in Zandvoort was hij niet te kloppen.”

De broers Looijesteijn kregen de smaak van het racen te pakken en met name Peter bleek over veel talent te beschikken. Hij mocht in 1977 ook aan de TT meedoen en werd er tiende. Co: “Die tweetakten dat waren onze lust en leven. Ik vind het tot vandaag de dag erg jammer dat ze van de circuits zijn verdrongen door de viertakten. Gewoon een reglementaire kwestie, terwijl juist de tweetakten echte racers zijn. Ik heb het daar nog wel eens over met Jan Thiel en Jorg Muller, die ik beide leerde kennen door de racerij en waarmee ik nog wel eens contact heb. Ik was in juni trouwens ook voor de 55e keer bij de TT in Assen en heb daar weer veel mensen van vroeger ontmoet.”
“Vooral die beginjaren met de 50 cc Kreidlers waren bijzonder. We moesten alles zelf ontdekken, zelf uitvinden en zelf maken. Ton Daleman bouwde toen als één van de eersten een roterende inlaat op de Kreidler. Dat was het helemaal, dus begonnen wij daar ook mee te experimenteren. We smolten aluminium en goten alle originele kanalen en het linker carterdeel helemaal vol. En zo begonnen we opnieuw en maakten we dus een roterende inlaat op het Kreidler-blok. Bijzonder was trouwens wel dat ik altijd met gebruikte zuigers reed, die ik weer van andere coureurs of van mijn broers kreeg. Er was gewoon geen geld voor nieuwe, dus als anderen er al drie wedstrijden mee hadden gereden, mocht ik ze hebben. Maar die gebruikte zuigers hoefden helemaal geen nadeel te zijn. Die kon ik heel nauw in de cilinder zetten. Ik hoonde de cilinder op tot er 0,05 mm speling was en dan gingen we rijden. Als je dat goed en zorgvuldig deed, bleef die zuiger-cilinderspeling zeker drie wedstrijden constant. Op die manier was mijn motor altijd heel snel.”
Veel valpartijen maakte Co Looijesteijn in zijn racecarrière niet mee, maar enkele weet hij zich toch nog haarscherp te herinneren: “Ik ben één keer heel dom onderuit gegaan in de uitloopronde in Assen, mijn favoriete circuit. In De Bult reed ik met één hand aan het stuur en raak ik een richeltje, waarna ik onderuit ging. Maar lelijker was een val hier op de Wallerweg in Breezand. Daar werden in die jaren de racers getest als er weer aan gesleuteld was. Dus in februari 1985 moest ik even kijken of de 350-tweetakt goed liep. Dus met koude banden en verroeste remschijven even voluit accelereren en vasthouden. Om natuurlijk veel te laat te gaan remmen, dus vol de sloot in en de motor helemaal onder water. Zelf was ik er ook niet zo best aan toe, want ik had alleen een helm op, verder een gewone werkoveral en gewone schoenen…”

In zijn werkzame leven werkte hij onder meer bij framebouwer Nico Bakker en in 2012 – het bloed kruipt waar het niet gaan kan – reed hij een race mee met de CRT, op een eigenbouw zijspan voorzien van een Kawasaki 750 tweetakt driecilinder blok, met zoon Ron in de bak. Ron rijdt zelf tegenwoordig mee in de Supersport 600. Maar hoewel Co de wegraces nog wel volgt, kwamen er ook andere hobby’s, zoals het schaatsen en de wintertriatlon, waarin hij in zijn eigen leeftijdsklasse acht keer wereldkampioen, zes keer Europees kampioen en tien keer Nederlands kampioen werd. Daarnaast heeft hij tegenwoordig zijn hart verpand aan ploegwedstrijden. Co: “Al toen ik acht jaar was, mocht ik thuis helpen met ploegen. Liep ik urenlang achter zo’n tweewiel-Hummel-trekkertje. Machtig mooi werk en dan zo’n strakke rechte voor trekken. Trekkers zijn een deel van mijn leven geworden, ik heb inmiddels een aardige verzameling van ongeveer dertig trekkers en veertig verschillende ploegen. De meeste trekkers zijn weer helemaal door mij tot leven gewekt. Mijn laatste project is een zojuist aangeschafte Hanomag rupstrekker. Die kocht ik hier in de Wieringermeer voor oud-ijzer-prijs. Wat denk je: er stond alleen al 30 liter water in de versnellingsbak. Dus alle olie afgetapt en nieuwe erop, verstuivers schoongemaakt en starten-lopen! Machtig mooi, zo’n 3.500 cc tweecilinder tweetakt diesel met compressor uit 1960. 65 pk levert hij; als je zo’n ding hoort lopen, dan klinkt dat als muziek in je oren!”
“Mijn favoriete trekker is echter heel iets anders: een hele gewone Massey Ferguson 35 uit de jaren zestig. Met een 2.000 cc driecilindermotor die 40 pk bij 2.000 tpm levert. Zo’n oud beestje kun je afwurgen tot 500 toeren en dan nog levert hij veel koppel door de lange slag en het grote vliegwiel. Met die trekker doe ik tegenwoordig door heel Europa mee aan ploegwedstrijden. En de laatste 15 wedstrijden waaraan ik meedeed heb ik allemaal gewonnen. Dat blijft erin zitten hè? Ik barst daardoor trouwens wel van de bekers, eerst van de racerij, toen van het schaatsen en de wintertriatlon en nu van het ploegen. Ik denk dat ik er wel 600 heb verzameld. Maar nog steeds ben ik elke wedstrijd weer blijer met een beker dan met 10 euro prijzengeld!”

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.