+ Plus

De Pyrenee

De Pyreneeën zijn een geliefde bestemming voor bergwandelaars, parapenters en wielrenners. Met maar liefst zesendertig pieken boven de 3.000 meter liegt het gebied op de grens van Frankrijk en Spanje er ook niet om. Maar ook voor motorrijders die hun stuurkunsten willen botvieren is er werkterrein te over. Wij gingen er naar toe op de Aprilia Pegaso, een ranke Italiaanse machine met een Spaanse naam. De verwachtingen waren dus hooggespannen.De eerste 1.200 km van onze reis zit ik echter niet in het zadel. Als je al eens in één streep naar Zuid-Frankrijk bent gereden – in mijn geval met een oude Kawa GPZ600R – dan smaakt het alternatief zoet, erg zoet: de verbindingsroute leggen we lekker af op één oor, als de auto-trein door de nacht (en dwars door Frankrijk) dendert. Zo komen we lekker uitgerust aan bij de bergen, zonder saaie snelwegkilometers en tolwegen.De trein is meteen een prima plek om wat collega-motorrijders te ontmoeten. In de wandelgangen loop ik de boomlange Duitser Alex tegen het lijf die toevallig ook dezelfde coupé heeft geboekt. De 24-jarige H-D-rijder heeft een Electra Glide uit 1982. Het lijkt mij niet het meest geschikte vervoersmiddel in de Pyreneeën jagen. “Ik wil vooral door Barcelona cruisen, dan gaat hij meteen de verkoop weer in,” lacht hij. Allerminst gespecialiseerd in Harley’s, koopt en verkoopt hij alles via eBay wat los en vast zit. “Je moet beslist aan de Spaanse kant van de Pyreneeën blijven,” weet hij: “de wegen zijn er beter en het is er goedkoper om te overnachten”. Met een wegennet als een ladder over de bergen gedrapeerd, lijkt mij Frankrijk echter moeilijk te ontwijken. Enfin, we zullen wel zien met wat nieuwe wegenkaarten en een Garmin Zumo aan boord.Het slapen op de neerklapbedjes in de trein is best geriefelijk. Mits je zo lang bent als Alex. En mits je jezelf in de trein een stuk in de kraag gedronken hebt natuurlijk. Ik bestel ‘s ochtends nog even een koffie in de restauratiewagen. Links en rechts zoeft het Mediterrane landschap al aan mij voorbij. Havens, rietschorren en een beginnende glooiing in het landschap. Zo ziet de Languedoc er uit. Na zestien uur treinreis zit het erop en arriveren wij keurig op tijd in het zonovergoten Narbonne, vlakbij de Spaanse grens. Daar kan de NS nog een puntje aan zuigen. Waar zij moeite hebben 50 km op tijd te overbruggen – je weet wel: bladeren op de rails en sein- en wisselseinstoringen – beukt deze Duitse Autozug vanuit Dusseldorf in één ruk en keurig op tijd 1.200 km op de teller!Eerst de auto’s dan de motoren. Uitladen is even het koppie erbij en helmpje ophouden. Letterlijk. Niet ver genoeg buigen, in alle nederigheid, betekent je hoofd stoten aan de dwarsbalken. Gelukkig komt de Pegaso ongeschonden van de trailer. Topkoffer en zijtassen op ‘El Moto’ en gassen maar met die dikke 650. Alex´s merchendise rolt minder compleet van de trein: de antenne is onderweg gesneuveld. Misschien ligt die wel ergens in de Duitse Rijn, ter hoogte van de Lorelei. Tja, dan maar geen openlucht radio.De eerste honderd kilometer enroute naar de Pyreneeën reduceert de Electra Glide al snel tot een stipje in mijn achteruitkijkspiegel; later, op een gravel-bergpas geeft Alex helemaal de pijp aan Maarten. Zijn 400 kilo zware HD voelt zich duidelijk minder thuis in dit landschap. De Pegaso wel, die lijkt er te zijn geboren!Het is de Griekse godin Pyrene – wat vuur betekent – waar de naam Pyreneeën aan ontleend is. Een verzonnen naam uiteraard, maar enige vergelijking gaat wel op. Het nationale park Garrotxa in het Oosten, is namelijk letterlijk bezaaid met versteende seismografische activiteiten. Hier beginnen de eerste klimpartijtjes, zonder heftige lavaspuwers echter, wel passeer ik overdadig veel warmwaterbronnen en wellnesscentra. Hoe aanlokkelijk de druk- en knijpkunsten van een vlijtige masseuse ook zijn, zelfs als het wat begint te motregenen, rijd ik tòch liever door.Ik kom in het Catalaanse plaatsje Castellfolit de la Roca aan. Het is een uitermate ingeslapen dorp dat rust op een reusachtige monoliet. De Uluru van Spanje is – net als de Australische variant – uit de hemel op aarde gekwakt. Althans, dat beweert Pedro van het gelijknamige hotel waar ik zit. De eenvoudige dorpelingen zitten nu wel mooi hoog maar voorlopig niet droog. Na een bord schapenkluifjes en een aantal San Miguels, zit er voor mij weinig anders op dan de hemel te bezweren. Zouden morgen de hoge Pyreneeën aan de beurt zijn, krijg ik dan echt asfalthappen voor de kiezen? Goed kijken, het staat vast in de sterren geschreven.Geen wonder dat de motorfiets Pegaso genoemd is – in het Grieks Pegasus ofte wel ‘gevleugeld paard’. De ingenieurs hebben er hun best op gedaan en dat vertaald zich in de goddelijke wijze waarop hij zich door de bochten laat sturen. De rechte zit, het hoge stuur, de fijne vering: dit is geen rijden meer, maar dansen! De tweewieler schiet met groot enthousiasme door de bocht en hij blijft onder alle omstandigheden stabiel, iets wat je niet van alle offroads met dikke noppenbanden kan zeggen. Dit mes snijdt echter aan twee kanten: ik begin onzeker te worden over míjn eigen stuurcapaciteiten! Sturen is namelijk kinderspel! Iedereen kan op de Pegaso door de bergen door sjouwen! Soepeltjes schakel ik door de bak en laat andere weggebruikers – ook motoren – makkelijk het nakijken. Als er een Tour de France voor motoren bestond, zou de Pegaso de bolletjestrui winnen, dat is zeker.Is de Pegaso gemaakt voor de bergen, dan zijn de Pyreneeën gemaakt voor motoren. En van motor rijden krijg je trek. Bij Mr. Bikers – een gewone boerenschuur annex hotel, restaurant en café, maar dan voor motorrijders – ga ik wat bikken. Op de parking staan bolides op rij, waar een doorsnee MotoPort jaloers op zou zijn. Vast zondagsrijders (het is zondag) die bij het starten oorverdovende partituren ten beste zullen geven. Gretig eet ik mijn boccadillo con queso en besluit het landweggetje naar Sort te vervolgen. Als ik van de parkeerplaats af rijdt, passereer ik een groepje Duitsers die eveneens vertrekken. Van het type net in de veertig op een CBR, een VTR, een R6’s en een GSX-R, die bochten rijden om de zijkant van de band te verslijten. Ik herken ze van de trein; Alex noemde ze de Vier Musketiers. Bij hen oogst mijn bergkampioentje enigszins minachtende blikken. Dat laat ik niet op me zitten! Met mijn 48 pk laat ik het voorwiel loskomen zodra ik de koppeling vlot loslaat en zo stuif het asfalt op. Vol gas knal ik het groene hart van de Serra del Cadi door. Stevige lussen naar links en rechts, op en neer. Dit gaat rap. ‘Buiten, binnen, buiten’ spreekt het in mijn hoofd. Het zweet gutst van het gezicht. Na een half uur vier ik de gaskabel en kijk om: niets te zien! Even later passeert er eerst een hele rij motorrrijder, die in het voorbijgaan hun hand of voet de lucht in steken. Vriendelijke gasten toch. En nog even later komen er nog vier aan: de vier kerels met grote witte kentekens. Wederom oogst ik minachting van de vier kerels, maar dit keer lach ik als laatste: geklopt door een endurootje en door twintig Spanjaarden, wie had dat gedacht?Na Llavosi en Vielha, is La Seu d’Urgell een welkome afwisseling. In tegenstelling tot de wintersportoorden tref je een bewoonde wereld aan en is er volop leven op straat. Helemáál op de Ramblas. Het centrale marktplein is het geweten en het dagelijkse leven van de bewoners en omstreken. Ik besluit uit te rusten onder de schitterende paraplu van Platanen zodat ik de Spanjaarden van dichtbij kan observeren. Een koude Orujo – een piskleurige longdrink dat veel weg heeft van After Eight – maakt het koekeloeren nog wat aangenamer. Het is hier jong en oud wat de klok slaat. Het drinkt, eet, flaneert, flirt, paradeert, praat, belt, en ruziet. Het hele dorp is uitgelopen om bij de fontein verderop te zitten. Terug in mijn hotel gaan zelfs de voetjes van de vloer. Wel dertig ouwtjes bereken het bordes af en beleven de tijd van hun leven. De meeslepende klanken van accordeonmuziek dringen – helaas voor mij nachtrust – nog door tot in de kleine uurtjes. Waar vindt je dit nog? Mijn grootouders zie ik in ieder geval niet zo snel elke zondag de met elkaar dansen en sjansen.De allermooiste weg in de provincie Aragon vind je ongetwijfeld tussen de plaatsjes Seira en Campo. Hier rijden betekent formidabele zwieren in een gigantische kloof in de bergen. Kilometers lang, is er nauwelijks genoeg ruimte. Toch zijn de wegenbouwers erin geslaagd om er twee rijbanen asfalt te plakken en af en toe een inham, die gretig benut worden door vliegvissers. Bovendien is het aantal ‘valse’ bochten in de rotsen minimaal waardoor ik flink kan doorgassen. Verderop kom ik er achter waar al het smeltwater van de rivier naartoe gaat. Net onder het middeleeuwse dorpje Ainsa hebben de Spanjaarden namelijk grote gedeelten van het landschap onder water gezet. In de Embalse de Mediano hebben alleen de meest standvastige bomen en verkeersborden hun hoofd boven het wateroppervlakte weten te houden. Ik volg de weg om het stuwmeer heen en kruis zo nu en dan oude delen weg die mysterieus het water in lopen. Afgezien van de menselijke inbreng is het een prachtige omgeving met aan weerszijde glooiende landerijen en versteende toppen. De lucht ruikt hier bijna als een parfum. Een heerlijk boeket van honing, boekweide, versgemaaid gras en bruinkool vervult mijn neus.Er is geen plek in Spanje waar je zo veel oude kastelen of burchten aantreft als in Aragon. De staatseigen paradors zijn vaak aan de prijzige kant, maar dan krijg je er wel een verzorgde kamer in een vaak eeuwenoud monument voor. Hotel Los Arcos staat weliswaar niet geregistreerd als parador maar heeft het wel dezelfde alure. Een buitenkansje in mei dacht ik zo, wanneer de prijs voor een kamer is gehalveerd en het Plaza Mayor – het centrum van de burcht – niet is overspoeld met toeristen. Dit moeten De Vier Musketiers ook geroken hebben; daar komen ze al aanrijden. Dit keer kan ik niet om hen heen. De mannen hebben geen prettig nieuws. Lothar hat een schuiver gemacht en de kuip is flink beschadigd. Zijn VTR heeft er al eens beter uitgezien. “Normaal gesproken ligt er geen bocht achter een heuvel, maar dit keer dus wel.” Als hij er aan terug denkt, schiet de schik hem weer in de benen. “Tja, en dan knijp je natuurlijk net iets te hard in de voorrem. Doodzonde.” Gelukkig heeft hijzelf geen schrammetje en is de schuiver voor een groot gedeelte door zijn leren pak en zijn achterop gesjorde tas. Die hebben ze inmiddels in Andorra – lekker goedkoop – nieuw gekocht.Na dit verhaal besluit ik toch bij hen aan te schuiven voor de lunch. Onder het genot van Paella en de nodige cerveca maken wij hernieuwd kennis. Uiteindelijk deelt Lothar mij mee: “We gaan het er op wagen en willen vanavond in Pamplona slapen.” Je moet het zelf weten, denk ik hardop. Laat je hier niet beetnemen, want in de bergen lijkt zo’n afstand hemeltjes breed nog geen driehonderd kilometer ver weg, maar over de weg is het toch minstens het dubbele.”Wat voor bergsporters de Pico d’Aneto is, is de Col d’Aubisque en de Col de Tourmalette voor wielrenners. Beiden liggen in het hart van het nationale park van de Pyreneeën en op beiden is het ouderwets haarspeldbochten knallen. Bergop snel ik alles voorbij. Vooral op de colletjes ploeterende fietsers lijken stil te staan. Sommigen beweren dat de wielrenners weer harder naar beneden kunnen, maar mijn Aprilia kan er ook wat van.Net voor Castillon en Couserans, proberen de Fransen mij de weg te blokkeren: ‘route barrée depuis 6 kilometre’ geeft het bord op de weg aan. En dat terwijl mijn boordcomputer aangeeft dat ik nu echt binnen 15 kilometer moet tanken. Dit is overmacht! Ik moet en zal er voorbij komen. Na zes kilometer houdt de weg inderdaad op. In het dorp staan grote bulldozers en vrachtwagens die de weg blokkeren: hier wordt gewerkt. Lichtelijk bezorgd vraag ik op straat of er een manier is om voorbij de afzetting te komen. Biensûre et naturellement, dus met een flinke dot gas begin ik aan een ommetje naar boven, over vers gelegd asfalt met grind, voor een kerkje langs – niet de pastoor voor zijn sokken rijden – en hopla dwars over een kerkhof. Het is allemaal vreselijk smal maar het doel heiligt (letterlijk in dit geval) de middelen. De omleiding gaat nog een hellinkje naar beneden, wederom grind en zo kom ik al trialrijdend precies achter de ‘route barrée’ uit.Op de terugweg neem ik grote stappen, snel thuis. Richting Carcassonne verdwijnen mijn geliefde bergen geleidelijk en voor goed uit het zicht en gaan slingers over in strakke plattelandweggentjes. Ik snor door niemendalletjes als Lavelanet, Ajac en Limoux en ontelbare ronde points niet te vergeten. Ik dacht dat Engelsen gek waren met rotondes, Fransen maken het helemaal bont. Dwaas van het eindeloze rijden, hijs ik mij pas uit het zadel als ik tegen de middag in Narbonne aan kom. De Pegaso heeft ook dit keer bewezen dat hij ook goed in een Parijs – Roubaix mee zou kunnen komen!Bij de trein is het inmiddels dringen geblazen en er lijken meer auto’s en motoren op te willen dan er acht dagen geleden vanaf kwamen. Ik spreek tijdens het wachten Nederlanders en Duitsers die veel langer in de bergen vertoefden dan ik. Er is altijd baas boven baas natuurlijk. De GPS laat zien dat ik 1.600 kilometer – alles bij elkaar toch een flinke rit – heb gereden in de bergen. En dat heerlijk op de ‘bonne voie’! Nu de trein weer op en dan pak ik een lekker biertje voor ik ga slapen en ik morgenvroeg weer uitgerust Nederland binnen kan rijden.[Kasten 1]APRILIA PEGASO TRAIL TOURING 650Met zijn 48 pk ééncilinder is dit motortje een ettertje! In de goede zin van het woord dan wel te verstaan. En helemaal in de bergen. De machine neemt moeiteloos de scherpste bocht en elke zwengel aan het stuur resulteert in puur genot. Het is niet meer dan lichtjes de polsen op de handvaten drukken en gaan.Het schakelen ‘klakt’ weliswaar een beetje, maar gaat wel buitengewoon soepeltjes. Als je voor het eerst op de motor stapt, valt je meteen een ding op; gasgeven is heel direct. Zo direct – vooral in z’n één – dat je van stoplicht tot stoplicht eigenlijk alleen een achterwiel nodig lijkt te hebben. Dit heeft ook gevolgen voor het gebruik in de stad, zeker met iemand achterop. Erg vermakelijk maar minder prettig voor je duopassagier.Aprilia maakt vier typen van deze Pegaso (gebouwd rond het 660cc Yamaha XT-blok): de Factory, de Strada en de Trail. De berggeit waarmee ik door de Pyreneeën reed is de Touring-variant, een duurdere versie van de Trail. Deze heeft veel extra’s aan boord, zoals een verstelbaar ruitje, tanktas, zijtassen en een 25 liter grote topkoffer. Met een beetje passen en meten gaan er zelfs twee integraalhelmen in. De uitrusting is erg mooi voor reizigers, al moet je wel in het achterhoofd houden dat je bagage in de tanktas en zijtassen niet zo heel erg veilig zit met het oog op diefstal. Je kunt volgepakte de machine dus niet zomaar ergens onbeheerd achterlaten. De boordcomputer blijkt trouwens ook erg handig voor langere ritten met zijn diagnose-systeem, hoogste snelheid, verreden tijden en twee instelbare triptellers.Toeren met de Touring stelt je niet snel teleur, zeker niet op bochtige secundaire wegen. daar is’ie namelijk voor gemaakt. En ook voor eens tukje onverhard hoef je niet terug te deinzen. Alleen één ding is nogal omslachtig: het tanken. Op het eerste gezicht lijkt er geen benzinedop aanwezig, totdat je erachter komt dat die werkelijk volledig verstopt zit. Het gaat als volgt: motor uit, tanktas eraf (tweemaal kliksysteem), leren tankbescherming eraf (klittenband), nog een klittenbandje los, contact weer aan, op het knopje ‘Open’ drukken voor de plastic klep bovenaan de tank, contact weer uit, en ja hoor daar zit de tankdop. Die kun je dan losdraaien en tanken maar! Plussen en minnen, zoals opgemerkt tijdens deze Pyreneeën-trip:+ Uitrusting+ Wendbaarheid+ Koppel+ Acceleratie+ Boordcomputer+ Wegligging+ Verlichting+ Zithouding- Benzinedop- Enkele remschijf voor- Lage spiegels (erg weinig ruimte tot de handvatten)- Lastig opstappen met topkoffer- In langzame bochten moet je terug naar de eerste versnelling- Bagageberging diefstalgevoelig[Kasten 2]INFODE TREINREISJe kunt natuurlijk 1.200 km heen en 1.200 km terug over de Franse snelweg rijden, maar je motor op de trein meenemen is een uitgeruste en veilige manier om die afstand naar Zuid-Frankrijk te slechten. Je vertrekt ’s middags en komt dan de volgende ochtend aan.Er bestaan slechts twee mogelijke treinverbindingen richting de Pyreneeën. Vanuit Nederland met de NS (Den Bosch – Avignon) en vanuit Duitsland met de Deutsche Bahn (Düsseldorf – Narbonne). Beide internationale verbindingen kun je van te voren boeken via de websites: www.NSTravel.nl en www.Autozug.nl. De dienstregeling van de autotrein bij de Deutsche Bahn loopt van mei tot en met oktober. Bij de NS kunnen motorreizigers terecht vanaf juni. Over het algemeen mag de motor niet hoger zijn dan 1.58 meter, let dus op een hoge ruit of antenne. Handig is het online boeken. Ben je er snel bij dan kun je kiezen voor de voordeligere prijzen, zeker in voor- en naseizoen. Wij maakten de treinreis met de Deutsche bahn vanaf Dusseldorf (150 km vanaf Utrecht) in het laagseizoen voor € 565,- per persoon, inclusief motorfiets, slaapplaats (in een vier-persoons-coupé) en ontbijt. Maak je geen zorgen om de motor: je rijdt zelf je motor de trein, waarna het treinpersoneel de motor vastsjort. Hij wordt goed met spanbanden in de veren getrokken.DE TOER DOOR DE PYRENEEËNHet spreekt voor zich dat je in het hoogseizoen (juli en augustus) in de bergen bijna over de bergwandelaars kunt lopen. Daarentegen is het in mei en juni nog rustig, evenals in september en oktober. Misschien is het dan wel te rustig gezien de uitgestorven wintersportplaatsen, hou er dus wel rekening mee dat buiten het hoogseizoen niet alles open is.Voordeel van het laagseizoen is dat de prijzen voor accommodatie dan eveneens zeer voordelig zijn.Een echte motorrijder rijdt natuurlijk in weer in wind, maar pas toch een beetje op in de bergen, het kan er vreselijk spoken. Het weer kan er ook snel omslaan, dus hou de weerberichten in de gaten.Op het hierbij afgebeelde kaartje een schematische weergave van de route. In acht dagen tijds werd er 1.600 km afgelegd. Op www.motoplus.nl/toeren vindt je de link naar de digitale Google Maps landkaart van deze trip, compleet met aanvullende foto’s.Plaats hier uw tekst

Direct meer lezen? Neem een jaarabonnement
  • Direct toegang tot het digitale archief met meer dan 350 magazines.
  • 24 uitgaven per jaar
  • Elke twee weken thuis in de bus
Direct toegang aanvragen
Een jaar MotoPlus voor slechts 49,50

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.