+ Plus

De Franse Alpen

Inderdaad, er zijn snellere manieren om naar de Middellandse zee te reizen. Maar geen mooiere. Reis dus mee met ons over de schitterende bergpassen in de Franse Alpen. Grote bergen hebben afstand nodig. Van dichtbij gezien zijn ze alleen misschien wel erg steil, maar nooit reusachtig. Dat geldt zelfs voor de Mont Blanc. Als je daar met je neus pal boven op staat, dan kan je nauwelijks geloven dat deze kolos boven Chamonix bijna vier kilometer in de staalblauwe hemel steekt. Pas als ik mijn Yamaha XT660 omdraai en via een klein weggetje naar Lac d’Emosson en de Zwitserse grens ga, vallen de afmetingen weer op hun plek. De 4807 meter hoge koning van de Alpen torent als een vesting van rots en ijs boven die zelfde Alpen uit. Het koningschap wordt hem alleen betwist door geografen en bergbeklimmers die de Elbrus in het verre Rusland de eer gunnen. Voor die mensen is de 5642 meter hoge Elbrus het hoogste punt van het continent. Maar de berg ligt een paar kilometer ten noorden van de belangrijkste bergrug van de Kaukasus en zou daarom eigenlijk niet in Europa, maar in Azië liggen. Een kniesoor die daar op let. De vergezichten hier zijn fenomenaal! Het is nu de Italiaanse kant die mij aantrekt. In theorie is de trip daar naartoe een fluitje van een cent. Je bent binnen de kortste keren via de 12 kilometer lange Mont Blanc tunnel waar je wezen moet. In praktijk wil ik het anders aanpakken. De herinnering aan de rit, vijfentwintig jaar geleden, door die tunnel kwelt me nog steeds. Ik reed toen op mijn XT500 in een slakkengang achter dieselwalm uitbrakende vrachtauto’s. 20 km/uur, meer zat er niet in. Dat dus nooit meer. Het alternatief is een 150 kilometer lange omweg over de grote Sint Bernard pas. Maar wat is nu eigenlijk een omweg? In deze buurt ligt de hele eredivisie aan bergpassen. Hier in het westelijk deel van de Alpen lopen ze zowat in elkaar over. Dus bedenk ik ter plekke een hoogst attractieve route naar Monaco. Voor mensen met voldoende tijd. Mensen met haast hebben hier toch niets te zoeken. Die kunnen veel sneller naar de Middellandse zee. Die kiezen tegenwoordig voor de Peage-snelweg of voor een goedkope vliegmaatschappij.. In Italië zet ik, van Aosta komend, direct koers naar de intussen door wolken omspoelde Monto Bianco. Mijn weg gaat eigenlijk bij toeval via de Colle San Carlo, een pas waar ik zelfs niet van gehoord had. Het traject is als het op rijplezier aankomt een echte topper! Met al die scherpe bochten en haarspelden vergt de rit alles van de motor en zijn berijder. Hoewel “slechts” 1971 m hoog is deze jongen goed voor het hele echte werk. Geen twijfel mogelijk: de volle bonuspunten voor deze rit. Nou ja, als het op mooie uitzichten aan komt dan scoort de San Carlo een vette nul. Dan doet de volgende pas, de ongeveer 51 kilometer lange Colle du Pétit St. Bernard het een stuk beter. Hier geniet je tot het verlaten van de pas van de mooiste panorama’s. Het binnenrijden van de Franse Savoyen wordt door de versgebakken bosbessentaart in de berghut op de pas helemaal een feestje. Een blik op de kaart openbaart het volgende topstuk: de Col d’Iséran. Die moet vandaag dan ook nog genomen worden. Met de XT duik ik dapper de diepte in richting Bourg St. Maurice en kom in de drukkende hitte in de dalen. Dat is veel te warm als je net uit de bergen komt waar zelfs in augustus op zijn best Scandinavische temperaturen heersen. Gelukkig gaat de D 902 direct weer omhoog. Gaat een poosje later door het ski-oord Val d’Isère, dat er in dit jaargetijde als een spookstad bij ligt. Dat terwijl er toch op zijn minst een paar architecten zijn geweest die geprobeerd hebben de betonnen gevels met wat lokaal houtwerk of natuursteen te camoufleren. Daarachter ligt dan eindelijk de stijging naar Iséran. De smalle weg slingert zich door het subarctische landschap. Geen boom of struik te zien daar. Alleen taai grauwgroen gras en schichtig heen en weer schietende marmotten. In de luwte van wat kuilen trotseren gele bloemetjes de barre omstandigheden. Snelle, laag voortjagende wolken schuren langs ijzige bergwanden. Koude wind kruipt mijn jack binnen. Was het net niet nog vol op zomer? De euforie om na een klim van 17 kilometer op de Col d’Isèran – de met 2770 meter de op één na hoogste Alpenpas – te staan verdwijnt snel. Negen graden Celsius is gewoon te koud. Tien minuten pauze om het panorama vast te leggen. Dan duikt de zon alweer achter de rotsen. Beneden in het dal ontmoet ik de man met de hamer en zoek ik een hotelletje. De ochtend daarop duurt de kaartstudie wat langer dan normaal. De legendarische “Route des Grandes Alpes” loopt van Lanslebourg direct naar het westen, naar de Col du Galibier. Die stap moet met een uur te nemen zijn. Maar dan zou ik een van de hoogtepunten van de westelijke Alpen mislopen: de Assietta-Kam-weg. Daarom verzet ik de Galibier naar later en ik zwaai naar het oosten over de Col du Mt. Cenis naar Italië en ik buig in Susa af naar de nauwelijks een auto brede weg naar de Colle delle Finestre. Bingo! 54 Extreem scherpe haarspeldbochten die op elkaar gestapeld tegen de berg ophangen. Voor een volgeladen toersfiets moet deze weg een nachtmerrie zijn, voor mijn XT 660 is het een topper! De weg wordt pas wat makkelijker als het verse asfalt boven de boomgrens eenvoudig tegen de stoffige rotsen kabbelt. Dan worden ook de bochten wat wijder en overzichtelijker en wordt het uitzicht ruimer. Na de Finestre takt zich eindelijk de Assietta-Kam-weg af. Gelukkig is het fantastisch weer. De panorama’s vanaf deze voormalige heerweg zijn bijna genoeg om je van je zadel te laten vallen. In de diepte schemeren de groene dalen. Links de Valle Chisone, rechts het rivierlandschap van de Dora Riparia. Aan de westelijke horizon boren de vierduizenders van het Massif des Ecrins zich in de witte wolken. De simpele steenslagweg geeft nauwelijks problemen, hij vraagt alleen om oplettendheid en een goede vering en demping. Maar als ik daar een onder volle zeilen varende, zwaar beladen Goldwing als tegenligger ontmoet, ben ik toch wel heel verbaasd. De Italiaanse vlag slingert vrolijk aan een van de antennes achterop de topkoffer… De Assietta duikt naar beneden naar Sestrière. Die plaats is er door de nieuwbouwexplosie van de winterspelen niet mooier op geworden. Kort daarna is er weer de Franse grens, daarna Briançon. De hoogstgelegen stad in de Alpen met zijn spannende netwerk van straatjes en steegjes. Voordat ik uiteindelijk richting Middellandse Zee ga gun ik mezelf nog een ommetje naar het noorden. Naar de Col de Galibier. Eindelijk. Deze pas is een totaal kunstwerk en biedt zelfs een spannend voorspel. In het Zuiden ligt de Col de Lautaret en aan de andere kant hebben we de sensationele Col de Télégraphe. Daartussen slingert zich een warboel aan bochten naar een hoogte van 2642 meter. Helemaal boven kan ik de Mont Blanc, die hemelsbreed op iets van 100 km verder ligt , prima zien. Daar tegen over glimmert de totaal ver-ijste oostwand van de krap 4000 meter hoge La Meije even indrukwekkend. Terug in Briançon gaan de knipperlichten naar links uit. Omhoog naar de Col d’Izoard. Een matig stijgende, vrij rustige route. Tijd om even op adem te komen totdat de weg door de Carte Déserte gaat slingeren. Dat is een bizarre, door weer en wind gevormde wereld van bruine rotspieken en bogen. Alles rijst op uit roodbruine rolsteenvelden. Dit is erosie op zijn mooist. De rest van de dag vliegt voorbij. Kort na de charmante Guillestre buigt de Col de Parpaillon af. Volgens de Alpen-bijbel, de “Denzel Alpenstrasseführer” is dat een route voor heel ervaren Alpenrijders in een prima conditie. Daar wordt je heel nieuwsgierig van. En direct daarna zit ik dus op een grove steenslagpiste die door armoedige stukken weiland de berg op klimt. Dit is een feest! Boven op de pas, ligt er 2632 meter hoog een rauwe wereld met rolsteenvelden en armetierige plukjes grauwgeel gras. Daarna duikt de weg een 500 meter lange, pikdonkere tunnel in Daar in het donker liggen er zelfs hartje zomer nog ijsplakken op het wegdek. De “Denzel” adviseert om pikhouwelen en sneeuwkettingen bij de hand te houden. Maar dat zullen ze wel voor automobilisten bedoeld hebben. Toch doe ik het voorzichtig aan. Met de lichtkegel voor uit tastend en in zijn eerste versnelling verwacht ik ijs en sneeuw, maar er zijn alleen maar gaten in het wegdek. En er is veel modder, maar geen echte problemen dus. De volgende dag moet er weer een vervelende keuze gemaakt worden. Er lopen drie passen naar het zuiden. Dat zijn de Allos, de Cayolle en de Bonette. Die laatste is met zijn 2802 meter de reus onder de geasfalteerde Alpenpassen. Ik ontloop de keuze en besluit ze alle drie te pakken. Eerst de Bonette dan maar. De lange rit omhoog wordt pas na het passeren van de boomgrens spannend. De bruine, rode en gele bergen hadden net zo goed in de Argentijnse Andes of op de Spaanse Sierra kunnen staan. Het is een wereld van verschil met de Galibier of de Isèran. Om de zaak van zo hoog mogelijk te bekijken doe ik de laatste meters naar de top gewoon lopend. Dan zit in 2860 meter hoog op de Bonette. En vanaf de vers geteerde zuidflank val je dan blij vanaf de Alpen omlaag naar de Provence. De lucht is opeens zwaar van de geuren van wilde tijm, pijnbomen en eucalyptusstruiken. De plaatsjes waar je voorbij komt zijn niet meer troosteloos steengrijs, maar in vriendelijke pasteltinten geschilders. Rood, geel en blauw. Mooi. In de schaduwen van oude, dikke platanen zitten oude mannen al jaren het gedoe op de straten te bekijken en van commentaar te voorzien. Opeens lijkt het een goed plan om de XT maar zo snel mogelijk naar de Middellandse Zee te sturen in plaats van er weer de kille Alpen mee in te klimmen. Maar een plan is een plan en vanaf St. Saveur gaat de rit dus naar de Col de la Cayolle en weer terug over de Col d’Allos. Ontelbare bochten, bijna geen verkeer en adembenemende uitzichten. Gelukkig ben ik niet direct naar de kust gereden! Maar het is vandaag geen pas die voor de grote finale zorgt, maar de Dalius Kloof. Daar waar de rivier de Var zich gedurende miljoenen jaren de grond in heeft geslepen vallen donkerrode rotsen loodrecht uit de hemel naar de bodem van de kloof. En het is ongelooflijk hoe de D902 zich aan het randje van deze canyon vasthoudt. Weer een dag later valt er toch een beslissing. Het vorstendom Monaco, het symbolische doel van mijn reis moet nog maar een dagje wachten. Dat is omdat ik de avond tevoren nog eens mijn kaarten heb doorgenomen. De Yamaha en ik gaan via Beuil en St. Saveur over de Col de la Lombarde eerst nog even terug naar Italië. Naar de Colle di Tenda. De zuidhelling van de oude vestingweg die daarna, alweer op Franse bodem, lokt met 48 haarspeldbochten in een steenslagweg. Daar ervaar je het ultieme all-road-geluk. En met zoveel verse herinneringen lijkt de legendarische Col de Turini wat gewoontjes. En dat terwijl daar de helden van de Rally van Monte Carlo daar elke winter laten zien hoe dwars ze door de bochten kunnen. Vanaf hier kun je de zee al bijna ruiken. Als de XT uiteindelijk de Grande Corniche, de weg met het beroemdste uitzicht van de hele Côte d’Azur, opdraait zie ik het Middellandse Zee blauw tot aan de horizon. Dan hoeft er alleen nog maar naar Monaco gestuurd te worden. Daar kom je in een wereld die helemaal anders is dan die in de verstilde Alpen. 32.000 mensen op krap twee vierkante kilometers. Er is geen land dat voller is. Het is er een overweldigende ramp van zilvergrijze hoogbouwkolossen. Ongelooflijk dat één van de duurste plekken op aarde zo lelijk kan zijn. De mensen die hier wonen kennen maar een financieel probleem: “Wat moet ik met al mijn poen?” De aanwezigheid van het beroemdste casino ter wereld helpt dan. Maar je kunt natuurlijk ook een zeewaardig jacht ter grootte van een oorlogsschip kopen en dat in de haven leggen. Over de kade flaneert het grote geld. Hummers, Rolls-Royces, Ferrari’s, Maybachs en Lamborhini’s, alsof het Kia’tjes of Mazda’tjes zijn. Als ik een Rolls-Royce voor het mega jacht Lady Moura op de foto wil zetten komt er direct een gorilla in uniform op me af. Een bewakelaar met een oorplug met een snoertje er aan: “Dat mag u niet fotograferen, dat is privé!” Met de bestofte aluminium koffers op mijn XT en met mijn doorleefde off-road-outfit pas ik hier niet in het plaatje. Ik start de XT en ga weer terug richting Mont Blanc. Naar de echte wereld met echte mensen. [[tekst infokasten]] INFO Het westelijk Alpengebied biedt alles, van slingerende steenslagwegen tot strak geasfalteerde, snelle pistes. Bijna nergens anders vind je zoveel contrasten als tussen de Mont Blanc en de Middellandse Zee. De heenreis Vanuit Nederland is de route naar Chamonix vanaf Utrecht 973 kilometer lang. In Zwitserland gaat de rit dan over Basel, Bern en Matigny of langs het meer van Genève naar Chamonix. Via het zuiden gaat de route over de Franse tolwegen, de E15 en de E80 tot Nice en Monaco. Voor wie niet de hele rit over de snelweg daar naar toe wil rijden, is de autotrein wellicht een uitkomst. Vanuit Dusseldorf kun je perfect met de motor op de trein naar Zuid-Frankrijk reizen. Seizoensafhankelijk kost de reis per motor met een opzittende ongeveer € 108,-. Reken maar uit wat je aan brandstof, tol en bandenslijtage bespaard. Info via DB Autozug, +49 180 524 12 24 of www.dbautozug.de. De beste reistijd Augustus is de vakantiemaand in Frankrijk en Italië. Dan zijn er files en wordt het vinden van een overnachtingsplaats moeilijk. In juni, juli en september gaat alles veel makkelijker. Maar pas op, want de hoogste passen kunnen in juni nog in hun winterslaap liggen. Info over seizoenblokkades krijg je via de ADAC en de ANWB. Zie bijvoorbeeld www.adac.de. Ook de Zwitserse Touringclub helpt je op weg via 41-22 41 24 24 (www. tcs.ch) en de Italiaanse info komt via www.aci.it. De Franse automobielclub meldt zich op internet onder www.automobileclub.org. Overnachten Vanaf een sobere camping tot en met een 5-sterren-hotel, het is in de Alpenlanden allemaal mogelijk. In augustus is het in Frankrijk en Italië wel snel vol. Daarbuiten vind je bij elke pas volop “Refugo’s” en “Albergo’s” en daar zijn altijd nog wel een paar bedden vrij. Kamperen is vooral aan te raden in het Franse deel van de Alpen, daar zitten de mooiste campings. Wie de zaken netjes aanpakt kan ook wel wildkamperen zonder direct in de problemen te komen. Italiaanse campings staan meestal helemaal vol met stacaravanbewoners. Off-road Fransen en Italianen zijn redelijk tolerant als het op het rijden van de oude “heerwegen” (wegen voor het transport van soldaten te voet) aankomt. Maar wanneer bezoekers de gravelpaden en piste als circuit gaan gebruiken, dan houdt de pret snel op. Er zijn al paden afgezet en op overtredingen staan hoge straffen. Maar gelukkig blijven er nog genoeg routes over die ideaal voor mensen met off-road en all-road-motoren. Hoe lang dat nog zo blijft, dat hangt dus ook van je eigen rijstijl ter plekke af. Leesvoer Het Duitse boekwerk “Grosse Alpenstrassenführer” is een echte aanrader. Hij wordt uitgegeven door uitgeverij Denzel. Het boekwerk wordt ook liefkozend de Denzel of de Alpenbijbel genoemd. De pil kost € 36,- en wordt om de twee jaar geactualiseerd. Alle begaanbare wegen en paden in de Alpen worden er uitgebreid in besproken. Overnachtingtips en routetips staan er echter niet in, het gaat puur om de passen zelf. Het betere kaartenwerk komt van Michelin op een schaal van 1: 150000. De beschreven route staat op de kaarten 333, 334 en 341. Een kaart kost ongeveer acht euro. Ook de site van de ANWB en, heel onverwacht, de winkels van De Slegte kunnen veel informatie voor weinig geld opleveren. Reisduur: vier dagen Gereden afstand: 1000 km [[streamer]] Op zoek naar de eredivisie onder de passen? Volg mij dan maar! Oude heerwegen zijn het zout in de pap in de Alpen De Col du Galibier is elke omweg waard! Monaco: 32.000 inwoners op 1,9 vierkante kilometer [[bildunterschrifte]] Twee keer helemaal top: het bizarre rotslandschap op de Col d’Izoard en het café op de Col d’Allos! Een mooi binnendoortje: de piste naar Chaz Duraz. Wie daar een tentje bij zich heeft krijgt de nacht van zijn leven. Frankrijk op zijn best: de zuidhelling van de Galibier en het charmante plaatsje St. Sauveur Echte uitdagingen: de haarspeldbochten van de Colle delle Finestre en een binnendoorweg naar Monaco Een must voor bergliefhebbers: de panoramaschijf op de top van De la Bonette, 2860 meter boven NAP.

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.