+ Plus

Reizen Via Mediterra (deel 2)

Tijdens de eerste etappe van mijn trip om de Middellandse Zee blijkt het onmogelijk om Algerije in te komen. De schier onvermijdelijke omweg loopt via Italië naar Tunesië. Maar wanneer ik van daaruit verder wil naar Libië en Egypte, heeft het noodlot andermaal een verrassing voor me in petto. De zaak lijkt spaak te lopen. Krijgen de cynici toch gelijk en loopt de tocht op een fiasco uit?Italiaanse vrouwen zouden een zwak hebben voor motorrijders. Misschien is dat zo, maar bezwete mannen op doorleefde laarzen, daar halen ze blijkbaar hun bevallige neusjes voor op. Dat is maar goed ook, want ik ben immers op reis. En op reis heb je doorgaans alle tijd, maar na twee maanden wachten op een visum voor Algerije krijg ik toch wel wat haast. Met de veerboot ben ik van Barcelona naar Rome gevaren en daar werd ik dus zwaar genegeerd door twee Italiaanse schonen. Dan Rome! Dank zij Thierry, een vriend uit Frankrijk, en Livia, een Siciliaanse Amerikaanse, vind ik onderdak in een leegstaand appartement in de buurt van het Colosseum. Livia vertelt stralend dat dit ooit de hoerenbuurt was. Dat ‘ooit’ blijkt relatief. Telkens weer als ik de HP2 van de Via Cavour de Via Carmelita op stuur word ik nadrukkelijk toegewenkt door een dubbelgeplamuurde, hoog geblondeerde, voluptueuze bella donna die post naast een gammele Vespa. Blijkbaar vinden niet alle Italiaanse vrouwen dat een motorrijder in Armani hoort te steken. Met Thierry, die ik ooit heb ontmoet in Montpellier, zal ik langs de Amalfikust verder reizen naar Calabrië en Sicilië. Onze eerste slaapplaats ten zuiden van Rome is uniek: een landtong die uitsteekt naar Capri met zijn beroemde blauwe grotten. Er is geen straat, alleen een smal pad dat over de grond stuitert. Teruggaan zou beter zijn, maar hoe? Het pad is zo smal als de BMW breed is en het loopt steil omlaag. Op een kleine verhoging in het terrein wordt het pad weer iets breder en vlakker. Blij geef ik de HP2 een handje gas. Direct na het bultje draait de weg haaks weg naar links. Rechtdoor gaan was nog een metertje gelukt, daarna zou ik dertig meter omlaag de zee zijn ingedoken. De zomerhitte en zware piste hebben ons genekt. Onze speciale, verkoelende zomerkleding heeft het opgegeven. We zijn drijfnat van het zweet. Uit dat spul! En dan wordt het feest. Alle muggen uit heel Italië worden gelokt door de geur van twee verse maaltijden. We worden helemaal lek geprikt. Intussen barst de Amalfikust door de Italiaanse vakantiepiek uit zijn voegen. Het is eind juni en nog eens weekend ook. Heel Italië worstelt zich naar zee, terwijl wij juist weg willen van hier. De Laars is hier echter op zijn smalst en de kust dus altijd dichtbij. Zigzaggend ontvluchten we de massa. Vanaf Reggio di Calabria lijkt hij niet eens zo hoog, maar de vlakke lavakegel van de Etna steekt zijn top toch een vette 3000 meter de lucht in. Vanuit de hoofdkrater verwaait er een stoffige rookpluim om aan te geven dat de puist nog altijd niet in ruste is. De vulkaan stoot jaarlijks nog 25.000 ton CO2 uit, een katalysator zou geen kwaad kunnen. Thierry heeft het idee opgevat vandaag nog tot in Palermo te komen. Via de noordflank van de Etna koersen we eerst richting Enna in het hart van Sicilië, om daarna op de hoofdstad af te stevenen. Het traject lijkt op een achtbaanrit. Een geasfalteerd Dolce Vita. Als we de rondweg opduiken om naar Palermo te gaan, hebben we lamme koppelingsklauwen. Iemand bekend met het eiland Pantalleria? Berlusconi en Armani wel. Op dit eiland van vulkanische oorsprong, dichter bij Tunesië dan bij Italië, hebben beide heren een vakantie optrekje. Maar dat houden ze om begrijpelijke redenen stil. Je kent het wel, wanneer vrienden zoiets te weten komen melden ze zich op doorreis massaal voor een overnachting om vervolgens pas twee weken later weer te vertrekken. Natuurlijk was ik benieuwd naar dit voor mij onbekende eiland. Ik had ook de hoop om daar vandaan naar Afrika te kunnen varen, maar helaas is er geen officiële veerboot en de paar vissers die ik aanspreek voorzien stevige douaneproblemen. Hoe dan ook, Pantalleria is een ontdekking!Aan de zuidkant steekt de kust zo steil omhoog dat je vanaf de weg pal op de koraalriffen kijkt. Op een rots met de vorm van een olifantsslurf parkeer ik de HP2 en pak duikbril en flippers. Een halve dag lang ben ik geen motorrijder, maar vis tussen de vissen. Na het rampenplan met het visum voor Algerije ben ik voorzichtig geworden met hapsnap planningen en boek een dag van tevoren al mijn overtocht van Pantalleria naar Palermo om van daaruit het veer naar Tunesië te pakken. Er varen de volgende dag twee schepen naar de Noord-Afrikaanse republiek. Het is nog vroeg in de ochtend en de drie dames achter de balie van de GNV veerdienst vervelen zich overduidelijk. Eentje wenkt me, ze lijkt precies op de blondine bij de verlepte Vespa in Rome. “Geen plek. Nix! Nada!” Ik vertel in het Italiaans, Frans, Engels en Duits dat ik aan dek kan slapen en dat mijn motor ook bijna geen plaats nodig heeft. Ze schudt mistroostig haar hoofd. “Next week or other ship.” Ik slenter naar het loket van de ‘other ship’. Het personeel daar verveelt zich ook professioneel. “Boat full!”, grijnst een inboorling met een sik. De volgende boot dan? “ Mardi, Dienstag. Auch full.” Drie talen in vier woorden, een record. Die van zaterdag is ook vol. “Vakantie mijn vriend. Alle Tunesiërs willen naar huis.” Hij blijft er vrolijk onder, ik minder.Met kloppende slapen haast ik me terug naar de blondine om ‘next week’ te boeken. “Is full. Completo.” Tien minuten geleden was er nog plek. Mijn doorgaans goede humeur keldert als een lift waarvan de kabels zijn doorgeknipt. Kan er deze reis dan helemaal niets goed gaan? Blondie ziet mijn wanhoop, heeft blijkbaar medelijden. “Come tomorrow at 7:00”, vertrouwt ze me toe.Zeven uur is vroeg. Erg vroeg, de afvaart is pas om 11:00 uur. Als ik om twintig over zeven zonder ontbeten te hebben de haven in rol, schiet ik weer helemaal in een dip. De rij voor het loket is zeker honderd meter lang. Een petmans knikt me in het voorbijgaan bemoedigend toe. Zal ik afhaken om te gaan ontbijten? Ik ga in de rij staan. Denk na. Nog twee weken op een boot wachten trek ik niet. Bovendien duurt mijn vrije jaar niet eeuwig. Het ene sombere gezicht na het andere druipt af. De kaartjes zijn op. In mijn hoofd vormen zich al alternatieve plannen. Als ik nu ga ontbijten, aftanken, nog een keer de Etna bezoek en dan via Noord-Italië naar Slovenië en Kroatië koers, dan… Ik ben aan de beurt. “No problem, € 160,- for you and your moto.” Ik geloof het pas als ik de tickets daadwerkelijk in mijn hand heb. Planning verandert toeval in waanzin. Tussen de dreunende vrachtwagens en overbeladen personenauto’s hobbelt de BMW aan boord. Als je Tunesië voor het eerst per boot bezoekt, dan lijkt de douaneprocedure onoverzichtelijk. Onoverzichtelijk omdat je onwetend bent. In die onwetendheid ben je goddank niet alleen. Je deelt het met het douanepersoneel. Blijkbaar heeft iedereen hier zijn eerste werkdag. De loketten aan het eind van de rijstroken zijn onbemand. Er is maar een douanier, en die lijkt er puur te staan om te voorkomen dat er levende ziel Tunesië inkomt. Een paar geüniformeerden staan kletsend tegen de muur en onderwijl slenteren enkele van hun collega’s tussen de auto’s door en spelen met hun GSM’s. De wachtenden worden ongeduldiger. Er zijn mensen die de douaniers hun papieren laten zien. Maar die willen de beambten niet, die willen enkel een ‘fiche vert’, groene kaart. Maar niemand die zoiets heeft. Waar dat belangrijke papier dan te krijgen is? Schouders worden opgehaald, is ook niet belangrijk. Wat wel belangrijk is, is dat er zonder dat groene briefje niets gebeurt. Iedereen die er ook maar een beetje ambtelijk uitziet wordt gevraagd waar je een dergelijk wonderdocumentje kunt scoren. De antwoorden variëren van “Ik kom zo terug” tot “Dat heb je niet nodig”. Of het al evenmin geruststellende “Wacht maar rustig af”. Taalkundigen zouden hier hun proefschrift kunnen schrijven over het ontwijkend reageren op de vraag ‘Waar?’. Samen met een Italiaan zwerf ik over het haventerrein op zoek naar de mysterieuze ‘fiche verts’. Fiche vert? Nooit van gehoord.Aan de andere kant van het havengebied, ver van alle gedoe vandaan horen we het claxonconcert van de wachtenden. Een jonge agent houdt ons staande. Wat we hier doen? “We zoeken een groene kaart!“, roepen we bijna wanhopig uit. “Biensûr, geen probleem, hierzo.” Hij wijst op een klein hokje met een wanhopig op klanten wachtende ambtenaar. Bienvenue en Tunesië! Zeg dat wel…De ringweg van Tunis is ’s ochtends als de Ring om Amsterdam. De weg naar de Libische ambassade weet ik intussen blind te vinden. Twee weken lang wacht ik al op een antwoord van mijnheer Ghadaffi. De receptionist zegt telkens vriendelijk: “Probeert u het morgen nog eens.” Ghadaffi is oud aan het worden, het denken over mijn aanvraag kost hem blijkbaar veel energie. Aan het eind van de tweede week verlies ik de moed. Het maakt me niet meer uit wat ze in Tripolis van mijn aanvraag vinden. Ik weet alleen dat de zandloper van mijn reis steeds leger raakt, terwijl ik niets verder kom. Ik rij naar de haven om te zien wanneer de volgende boot naar Italië vaart. Morgenavond. Ik koop direct een kaartje. Mocht het antwoord uit Tripolis toch komen, kan ik het visum altijd nog bij een andere ambassade oppikken. Denk ik tenminste in al mijn onwetendheid. En hoofdsteden met Libische gezantschappen kom ik nog voldoende tegen op mijn reis: Rome, Ljubljana, Zagreb, Podgorica, Tirana, Athene, Ankara, Damaskus, Beirut, Amman, Cairo. Dat moet wel lukken. Als ik het visum krijg tenminste. Zo niet, dan loopt mijn reis rond de Middellandse Zee dood. Want vanuit Egypte is er sinds de tweede Intifada geen veerbootverbinding met Europa. Op de terugweg moet ik dan dus weer door Italië. De ochtendnevel ligt nog over Palermo als ik na mijn intussen 9e ferrytrip weer in Europa aan land kom. Met mijn rug naar de stad geef ik de HP in het Siciliaanse bergland de sporen. Wat een zegen om eindelijk weer eens lekker te kunnen blazen! Geen ringwegen, geen files. Heerlijk. Over links gaat er een piste naar een hoger gebied bij Castelbueno. In lange glooiingen golven de Siciliaanse korengele vlaktes naar het zuiden. Ver in het oosten stijgt er een witte rookpluim omhoog. Ik heb nooit gedacht dat de Etna van zo veraf te zien zou zijn. Een dag verder naar het noorden sluimert een andere vulkaan, de Vesuvius, bij Napels. Voorlopig lijkt de stad veilig en hoeven wij geen Europese tsunami te verwachten. Aangekomen in Rome ga ik eerst – nee, niet naar de blondine met de Vespa – naar de Libische ambassade. Vooraf bel ik de Tunesisch-Libische ambassade om te vragen of mijn visum uit Tripolis is gekomen. Ik noem mijn naam, nationaliteit, paspoortnummer en vertel dat ik al drie weken op het visum wacht. “Wat is uw geboortedatum?” Blijkbaar lopen er meer visumaanvragen voor Dirk Schäfers met het paspoortnummer NV38RTFB6. “Ja, het antwoord is binnen. U kunt uw visum komen halen.” “Fantastisch, kunt u het ook naar uw ambassade in Rome sturen? Daar ben ik nu.” “Impossible! Als u vanuit Rome een visum wilt hebben, moet u het daar aanvragen. Of u kunt uw visum nu in Tunis ophalen.”In de late namiddag gooit de boot naar Tunesië de trossen los. Ik probeer het positief te zien, eindelijk gebeurt er weer iets. Maar de echte feeststemming wil nog niet komen. Pas als ik het visum in mijn handen heb, geloof ik dat het echt verder gaat. Voordat ik vanuit Rome weer richting Tunis ging had ik Madame Nesrine, de dame van de Libische ambassade, nog gevraagd of ik het visum direct zou krijgen of er nog op zou moeten wachten. “Nee, nee. U komt bij ons, geeft uw pas af, vult een formulier in en een half uur later heeft u het visum.” Ik dankte God en Allah voor dit wonderschone vooruitzicht.Het is maandag. Acht uur lokale tijd. Ik wil geen tijd verspillen en loop direct naar de ingang van de ambassade. “De visa afdeling is er nog niet. Komt u alstublieft om 11.00 uur terug.” Ach, wanneer het scoren van een visum maar een half uurtje duurt, dan wegen die drie uur wachttijd zo zwaar niet. En raad eens wat ik na drie uur wachten hoorde? De visa afdeling is de komende vijf dagen gesloten. Hadden ze ter plekke bedacht.Na alle toestanden spreek ik intussen beter Frans dan Napoleon. Ik overweldig madame Nesrine met een verbale tsunami. Als ik diep ademhaal om verder te tieren, vraagt ze met een klein stemmetje of ze de visa afdeling nog een keer mag bellen. Ik kijk haar bestraffend aan, maar stem toe. En zo krijg ik een afspraak voor de volgende dag om 12.00 uur. Bij de visum afdeling. Ik zit er helemaal doorheen. Als ik morgen geen visum heb, speer ik lijnrecht naar huis, nadat ik madame Nesrine achter haar bureau vandaan heb getrokken, dat wel. Genua, Milaan, Zwitserland, een stukje Autobahn en dan thuis. Acht weken verspild met dat pokkevisum voor Algerije dat nooit kwam en nu weer drie weken in de weer voor een Libisch visum. De dag erop zet ik mijn motor dwars tussen alle beveiligingscowboys voor de ambassade. Het is toch mijn laatste bezoek aan die hut. Vijftien minuten later heb ik mijn visum en twee koppen koffie binnen. Met vriendelijke groeten van de ambassadesmurfen. Hallelujah! Onderweg naar Libië verreist Mahdia op zijn schiereiland uit zee. Een handvol toeristen doolt door het oude stadscentrum. Maar het meest interessante van Mahdia vind je bij de vuurtoren. Honderden, misschien duizenden witte graven liggen als een zoom langs de kust. Dat geeft de suggestie dat Mahdia vroeger meer was dan het nu is. Dat klopt ook. Mahdia is de bakermat van de Fatimiden. De Fatimiden? Een volk die een nieuwe stad stichtten die hun oude verblijfplaats al snel deed vergeten: Caïro. En daar ben ik nog 2500 kilometer en Libië van verwijderd. Muammar el Ghaddafi’s smoelwerk heet me bij de Libische grens middels een stel door de elementen aangetaste aanplakbiljetten hartelijk welkom. Als ik de baas was zou ik voor betere posters zorgen, maar Muammar reist waarschijnlijk per privéjet en komt hier dus niet zo vaak. Bovendien heeft hij waarschijnlijk ook geen zin om bij elke douanepassage urenlang kolderformulieren in te vullen. Sinds een jaar of dertig is Ghadaffi de baas over tamelijk veel niets. Goed, er zijn een paar miljoen inwoners en een afnemende hoeveelheid ‘barrels’ olie. Die olie zorgt ervoor dat de bewoners van deze kattenbakstaat in Afrika op nummer één staan als het op het Bruto Nationaal Product aankomt. Libiërs hebben dus geld, ze zijn rijk. De Libiërs met geld althans, die zijn rijk, maar dat zijn er in de praktijk maar bar weinig Voor veel inwoners is het waarschijnlijk een raadsel wat Ghadaffi met al dat geld heeft gedaan. Het is niet alleen ellende in Libië. Tanken is er bijvoorbeeld een feestje. Voor een euro loopt je de tank over, want een liter bromsap kost € 0,05. De pret daarover duurt echter niet lang. Met mijn visum mag ik alleen over de kustweg rijden en niet langer dan vijf dagen blijven. En helaas is de route net zo spannend als de Flevopolder in de regen. Alleen de Noord-Afrikaanse zomerzon zorgt voor wat hoogtepunten. Het gaat er heet aan toe! Tijdens de rit giet ik water over me heen om maar niet flauw te vallen. Twee minuten later ben ik weer stofdroog. Bij aankomst in Egypte begint net de Ramadan. En dat betekent op een houtje bijten voor Christenen met een hang naar directe bevrediging van hun culinaire behoeften. Cafés en restaurants zijn overdag gesloten. Er wordt ook absoluut niet gegeten of gedronken op plekken waar je zichtbaar bent, alleen daarom al zou de Ramadan bij ons op een veto van de gezamenlijke horeca stuiten. Ik ben in Marsah Matruh aangeland, het Scheveningen van Egypte. Als de zon is ondergegaan wordt er een klok geluid en getuigt de muezzin via de luidsprekers een paar minuten over Allah’s goedheid. En dan zijn de straten leeg alsof de finale van het WK voetbal wordt gespeeld. Na 90 minuten heeft iedereen zijn buikje weer vol en keert de drukte terug. Tot minstens vier uur ’s ochtends kun je je auto laten repareren of je huis laten schilderen. Of je gaat simpelweg claxonerend door de stad rijden. Lijkt zinloos, maar in de praktijk zijn er desondanks heel veel van die toeteraars. Als je dan gewoon wil maffen, zijn je oordoppen een zegen. Ondanks het feit dat ze intussen net zo gezandstraald zijn als de posters van Ghadaffi. De laatste paar honderd kilometer naar Caïro zijn een makkie. Als ik de omtrekken van de piramides in de nevelen van Gizeh zie, schreeuw ik het uit in mijn helm. Een moment lang kan ik niet geloven dat ik zover ben gekomen. Nu kan alleen de duivel zelf me nog weerhouden mijn rondje Middellandse Zee af te maken. Als ik op dat moment had geweten dat ik een paar dagen later aan het Suezkanaal het gevang in zou draaien, was ik minder optimistisch geweest…Dit Via Mediterra reisverhaal zal in vier delen worden gepubliceerd. Deel 3 van deze enerverende reis rond de Middellandse Zee lees je in MotoPlus 4-2011.________________________________________INFOMIDDELLANDSE ZEELigging: tussen Zuid-Europa, West-Azië en Noord-AfrikaLengte: +/- 3.850 km Gemiddelde breedte: 600 kmGemiddelde diepte: 1.430 meterOppervlakte: +/- 2.000.000 km².MEDITERRANE LANDENNoordoever: Spanje, Frankrijk, Monaco, Italië, Slovenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Albanië, Griekenland, TurkijeZuidoever: Syrië, Libanon,Israël, Egypte, Libië, Tunesië, Algerije en Marokko Autonome eilanden: Malta en Cyprus Belangrijkste eilanden: Balearen (Mallorca, Menorca en Ibiza), Corsica, Sardinië, Sicilië, Malta, Djerba, Kreta, Rodos en Cyprus

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.