+ Plus

Reizen Faeröer Eilanden

Wie zonnige dagen, witte zandstranden en een lauwwarme zee zoekt, heeft op de Faeröer Eilanden werkelijk helemaal niets te zoeken. Met driehonderd dagen regen per jaar, de ruige Atlantische Oceaan en steile kliffen naast de deur is het meer een bestemming voor de weerbestendige diehard Scandinavië fans. En motorijders!!

“Vandaag wordt het een prima dag!”, begroet Olof, de campingbaas van Tórshavn, ons. “Er is voor vandaag geen regen voorspeld.” Wat Olof er niet bij zegt, is dat een regenloze dag op de Faeröer nog niet betekent dat het een droge dag wordt, laat staan een zonnige. Het enige dat de samensmelting van de warme golfstroom met de koude zeestromingen uit het noorden hier zo vaak te bieden heeft, is nul zichtbaarheid. Precies zo’n grijze dag lijkt het vandaag ook te worden: vochtige mist trekt geruisloos over het land. Onze scepsis schuift Olof echter snel terzijde: “Rij maar naar het noorden, daar is het niet zo nevelig.” Dus pakken Andreas en ik de drijfnatte tent in, draaien onze motoren met de neus naar het noorden en rijden door de natte wolken Tórshavn uit.
Olof blijkt zowaar het gelijk aan zijn kant te hebben. In eerste instantie glijden we nog langs een met loodgrijs betimmerd Sundinifjord, permanent onze vizieren afvegend. Maar niet hier en daar priemen toch al voorzichtig een paar zonnestralen door de dichte mist. Een paar bochten later is diezelfde mist spoorloos verdwenen. Zo snel gaat dat hier dus. Bijna nergens is het weer zo’n lokale aangelegenheid als hier: het verandert elk kwartier en van fjord tot fjord. De lagedrukgebieden, die in onvoorspelbare regelmaat over de uitgestrekte Atlantische Oceaan naar het oosten reizen, zijn niet gewend om obstakels tegen te komen. De eerste barrière zijn de Faeröer Eilanden. In de ruige bergen van dit eilandenarchipel kluwen de hoogzwangere wolken samen, waar ze vervolgens een paar dagen blijven hangen. Maar de steile pieken prikken ook gaten in de bewolking, waardoor de zon hier en daar als een enorme schijnwerper zijn licht op de groene weiden werpt.
We hebben het geluk ons in een van deze opklaringen te bevinden. Boven ons een knalblauwe hemel, terwijl het naastgelegen eiland Eysturoy bijna niet meer zichtbaar is door de nevel die er over hangt. Dan blijven we toch liever hier op Streymoy, rijden naar het noorden totdat in Tjørnuvík de straat simpelweg ophoudt. Dergelijke impasses zijn doodnormaal op de ruige eilanden, waar Tjørnuvík een van de typische dorpjes is. Drie dozijn kleurrijke huizen liggen knus tussen het rotsachtige strand en langs de steile groene wand van de 700 meter hoge berg.
Een kop koffie om bij op te warmen zou nu niet verkeerd zijn, maar er is hier zelfs geen café. Dus weer terug naar Nesvik en over de brug naar Eysturoy waar de grijze wolken zich intussen verstopt hebben.
Eysturoy is een van de zes noordelijke eilanden, met spectaculair steile bergen die zich bijna 900 meter boven de zee verheffen, met net voldoende ruimte voor kleine dorpjes langs de smalle kuststrook. Dorpjes als Eiði met aan de andere fjordzijde Tjørnuvík, in een rechte lijn amper twee kilometer van elkaar verwijderd, over de weg maar liefst dertig.
Eergisteren hebben de Faeröers hier nog vijftig grienden aan wal gedreven en met messen en haken op gruwelijke wijze gedood. Elke zomer herhaalt zich de bloedige slachting van meer dan duizend walvissen. De eilandbewoners zijn wars van internationale conventies en beroepen zich op hun oude tradities. En traditioneel ingesteld zijn ze hier: men leeft er zonder auto’s, televisies en smartphones, woont deels in grotten en kleding wordt gemaakt van dierenhuiden. De regering waarschuwt de mensen weliswaar om maar vooral geen walvisvlees te eten, omdat het te sterk verontreinigd is met chemisch gif als kwik, DDT en PCB’s. Maar ook daar trekken veel Faeröers zich niks van aan.

Eiði wordt zeker niet tot een van de stedelijke juwelen van het eiland gerekend. Toch herbergt het wel een kleine schat: de 662 begint hier en die is fantastisch. Smal, bochtig, zonder verkeer en met grandioze uitzichten gezegend. Zoals het vergezicht op Risin en Kellingin, twee 75 meter hoge rotsen die als twee enorme vingers vlak voor de kust loodrecht uit de zee omhoog steken. Natuurlijk zijn het geen gewone rotsen maar versteende trollen. De twee lummels kwamen ooit met een duidelijke opdracht naar het hoge noorden en wilden stiekem, onder dekking van de duisternis, de bewoners van het eiland letterlijk aan de haak slaan en meenemen naar IJsland. Jammer dat ze tijdens het uitvoeren van hun onzalige plan te veel treuzelden, door de opkomende zon werden verrast en, zoals dat nu eenmaal gaat bij trollen, in steen veranderden. Sindsdien zijn ze stevig in de zee verankerd en staren voor altijd verlangend naar IJsland.
Nee, dan verloopt het ons een stuk beter. Wij zijn zelfs, in tegenstelling tot de twee ex-trollen, blij met het beetje avondzon dat hier op ze schijnt. Een paar bochten later staan we, op 430 meter hoogte, aan de grond genageld door het waanzinnige uitzicht richting oosten over de Funnigsfjørður. De straat onder ons slingert direct langs het fjord naar Funningur, dat in oostelijke richting tussen hoge bergen van het naburige eiland Kalsoy loopt om daar in de uitgestrektheid van de Atlantische Oceaan te sijpelen. Het zijn de verrassende uitzichten als deze die achter elke bocht op de loer liggen. Het wilhet fjordenlandschap met zijn boomloze bergen, die behoorlijk wat hoger ogen dan ze daadwerkelijk zijn, hier in het noorden is simpelweg overdonderend!
We kronkelen naar beneden en rijden richting Elduvík, aan de andere kant van het fjord. Ook Elduvík is weer zo’n typisch dorpje aan het eind van een doodlopende weg: een verzameling rode, zwarte en groene houten huizen, het dak vaak met gras bedekt, 24 inwoners, een oude houten boot in de voortuin, een mini-haventje en natuurlijk een fantastisch uitzicht. Dit maal over het Fjord naar Funningur en naar boven naar de Slættarartindur, met zijn 882 meter de hoogste berg van de archipel. En er is zelfs een kleine camping direct aan het fjord. Perfect.
Die avond wordt er door de weergoden een mooi theater opgevoerd. De speciaal voor de Faeröer geschreven uitvoering gedijt op tragedie en dramatische wendingen. Vanuit het noorden trekken zware mistbanken het fjord in, onthullen slechts nu en dan één van de steile toppen van het naburige eiland Kalsoy. Vanuit het zuidoosten rollen wolken woest over de bergen, om daarna simpelweg op te lossen. De regen klettert op het watervlak, terwijl Funningur, amper twee kilometer ver weg, in het zonlicht ligt te baden. Achter ons schijnt een dubbele regenboog met een intensiteit die je slechts zelden ziet. Goddelijke magie.

De ochtendzon drijft ons al vroeg uit onze tenten. Vreedzaam glinstert het licht op het fjord, krijsende meeuwen klauteren tussen de met zeewier bezaaide rotsen op zoek naar visresten. Twee grienden trekken snuivend hun sporen in het kristalheldere water en op de achtergrond tuft een rode vissersboot richting zee.
De tweede kop koffie staat net klaar, wanneer een oude man met zijn kleindochter langskomt en wil weten of mijn XT een BMW is. Hij geeft ons een paar chocolade koekjes voor ontbijt, maar spreekt helaas alleen Faeröers, waarvan we absoluut niets begrijpen. De Faeröer hebben niets van de typische Scandinavische terughoudendheid, ze zijn eerder zoals de Britten: open en vriendelijk.
We maken ons op om de spectaculaire bergeilanden in het noorden te gaan verkennen: Kalsoy, Kunoy, Borðoy en Viðoy. Een gloednieuwe zeven kilometer lange tunnel boort zich diep onder het fjord naar Bordoy. Met zijn vijfduizend inwoners is Klaksvik, de tweede grootste stad van het land, niet echt het vermelden waard. De twee oude tunnels dwars door de bergen aan de oostkant van het eiland zeker wel. Het koude, pikzwarte, zes kilometer lange pad, ruw uitgehouwen in de rotsen, nat, glibberig en behangen met mos, eist onze volle concentratie. Bij de tunnelingang nog verblindende zon, de uitgang versierd met een deprimerende dikke mist. Niet weer! De kleine haven van Norðdepil met zijn vele kleurrijke houten boten is amper te zien, de brug naar Vidoy Fortiori is helemaal verdwenen. Vijf minuten later is de ondoorzichtige nachtmerrie alweer voorbij.
Op droge wegen rollen we tot in Viðareiði, het noordelijkste dorpje van de archipel. Over grote afstand liggen eenvoudige huizen verspreid in een grazige vallei tussen de ruige bergen. Wat een afgelegen plek. De witte houten kerk werd tweemaal door winterstormen de zee in gesleurd en telkens weer opnieuw opgebouwd. In het oosten rollen donkergrijze regenwolken door de doorgang tussen Vidoy en Svinøy. Naar het westen vrij zicht vrij op de prachtige kliffen aan de hoogste rots van Europa, de 820 meter hoge noordkaap van Kunoy. Had ik al gezegd dat deze eilanden buitensporig spectaculair zijn? Als je nog steeds van mening bent dat er in Europa geen exotische bestemmingen meer bestaan, dan ben je waarschijnlijk nog nooit naar de Faeröer geweest.

INFO FAERÖER
Ligging: eilandengroep ingesloten tussen de Noorse Zee en Atlantische Oceaan
Afstand vanaf Utrecht: 1.991 kilometer (via Denemarken) / 1.315 km (hemelsbreed)
Buurlanden: Groot-Brittannië (zuiden), IJsland (noorden), Noorwegen en Denemarken (oosten)
Regeringsvorm: zelfbestuur onder Deense Kroon
Oppervlakte: 1.393 km² (Nederland is bijna 30 keer zo groot )
Inwoners: 49.947 (2014)
Hoogste punt: Slættaratindur op het eiland Eysturoy (882 meter)
Toeristische trekpleister: Indrukwekkende natuur van het eiland.
Taal: Faeröer en Deens, veel mensen spreken tegenwoordig ook Engels.
Schrift: Latijn
Munteenheid: Faeröerse kroon (FOK), waarde komt overeen met die van de Deense kroon (DKK), die ook wordt gebruikt als betaalmiddel
Tijdsverschil: -1 uur

Klimaat: op de Faeröer Eilanden heerst een gematigd zeeklimaat. In de zomer lukt het de eilanden soms zich dagen te bevrijden uit de wurggreep van de Atlantische lagedrukgebieden. Maar alleen soms. Overdag schommelen temperaturen rond de 15 graden. In juni en juli wordt het nauwelijks donker, in de winter duurt de nacht des te langer. De zomer verandert het weer vaak om de tien minuten. Het komt geregeld voor dat het regent in één fjord en de zon schijnt in de volgende.
Geografie: Op de eilanden is erg weinig bos, met name door de eeuwenlange schapenteelt. Aan de noord- en westkust zijn de karakteristieke kliffen te vinden, aan de zuid- en oostkust is het landschap wat glooiender. Tijdens de ijstijd lagen de Faeröer bedekt onder ijs en sneeuw. Het smeltende ijs zorgde voor het ontstaan van het fjorden.
Wetenswaardigheden: De Faeröer zijn sinds 1948 geen Deense kolonie meer, maar een onafhankelijke staat, die echter nog steeds nauw verbonden met Denemarken. De Faeröer zijn geen lid van de EU. Van de bijna 50.000 inwoners van de archipel, wonen er 20.000 in de hoofdstad Tórshavn (Thor’s haven). Van de in totaal achttien eilanden zijn er zeventien bewoond. Faeröer betekent schapeneilanden. Toch is de visindustrie veruit de belangrijkste bron van inkomsten van de eilandbewoners: 97% van de export bestaat uit visproducten.
Overnachting: Op de Färöer is maar weinig toerisme. Waar normaal gesproken een ruime keus is aan hotels, privé accommodaties, B&B’s, jeugdherbergen en campings, is er zelfs in het hoogseizoen op de Faeröer weinig keus. Vrij kamperen wordt toegestaan, maar niet op privé grond en weilanden. Wie buiten wil overnachten, moet zorgen voor een stabiele en absoluut waterdichte tent. Warme kleding is onmisbaar.
Wanneer: Om de meest regenachtige tijd te vermijden zijn april, mei, juni, juli en augustus de beste maanden om naar de Faeröer Eilanden te reizen.

Info: www.faroeislands.com

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.