+ Plus

De Belgische Oostkantons

Dat Belgen leven als Bourgondiërs is bekend en dat men er een biertje kan brouwen staat als een paal boven water. Maar wie kent de Oostkantons, een streek met culinaire hoogstandjes, stuwmeren, een berg geschiedenis en enkele rariteiten? Een gastvrije streek ook, waar Duits de officiële landstaal is en je met de motor meer dan welkom bent. De Oostkantons strekken zich uit van de Voerstreek in het noorden, langs de Duitse grens in het oosten tot Luxemburg in het zuiden. Voor de rest grenzen de Oostkantons aan Wallonië waar het, ondanks de andere taal die er gesproken wordt, politiek en bestuurlijk deel van uitmaakt. Ik toer enkele dagen tussen de vier belangrijkste stadjes: Eupen, Malmedy, Sankt Vith en Amel. Ieder jaargetijde worden de Venen herschapen in een sfeervol kleurpalet. In de zomer is alles in bloei, terwijl in de herfst het landschap goud en bruin kleurt. In het najaar zorgt een koude mist vaak voor een feeëriek beeld, waarbij een najaarszonnetje nog enige warmte geeft. In hartje winter moet je er trouwens met de motor wegblijven wegens de grote kans op sneeuw. Of je moet natuurlijk van ouderwetse “Elefantentreffen-toestanden” houden? Maar tijdens enkele mooie nazomerdagen in november kom ik vaak ogen tekort om alle natuurschoon voorbij te zien schuiven. De grijze mistbank die af en toe door mijn beeld drijven maken het alleen maar feeërieker. De Oostkantons behoren absoluut tot één van de mooiste streken van België en de periodes dat ik ze de laatste jaren doorkruiste, was het er opvallend rustig. Alsof ik er bijna alleen op weg was op de soms piepkleine wegen. De moe gegeselde Ardennen zijn, bij mooi weer, vaak overladen met motorrijders die er de vele bochtige wegen onveilig komen maken. Maar de meesten van hen vergeten dat er enkele tientallen kilometers meer naar het oosten, rond de grens met Duitsland een zeer gastvrije streek ligt, die amper ontdekt is en waar je dus heerlijk rustig kunt rondtoeren. Ik start in Eupen en verlaat komend vanaf Luik de snelweg A3/E40 richting Aken bij afrit 38. Langzaam cruise ik door het centrum van deze chocolade-stad met dito chocolademuseum dat het kloppend, industrieel en administratief hart vormt van de Oostkantons. Het is meteen de grootste stad van de Oostkantons en doet dienst als zetel van de Duitstalige gemeenschap. Bij het verlaten van Eupen, rij ik op een steenworp van de Hoge Venen en vooral in het najaar zijn “les Haute Fagnes” bijna sprookjesachtig. De afgevallen bladeren van de diverse boomsoorten zorgen voor een sfeervol herfstpallet van groen, bruin, tot diep rood en diezelfde bladeren zorgen in de dreven voor een dik rossig tapijt. Afgelopen najaar zorgde een overvloedige herfstzon er nog voor een extra lichtspel door de bijna ontbladerde boomkruinen. In het weekend dat ik er rondreed, was er zelfs een heidebrand op de Venen richting het Duitse Monschau, want raar maar waar zijn de dorre bladeren in de herfst brandgevaarlijker dan de groene maar ondanks de warmte toch vochtige bladeren in de zomer, zo weet één van de boswachters die ik tref bij een pauze langs de weg mij weten. Ik rij over het Signal de Botrange, zeg maar het dak van België. Je moet geen scherpe, steile bergkammen verwachten, wél de hoogste punten van een zacht golvend gebied, op een hoogte van meer dan 500 meter boven de zeespiegel. Soms zijn deze gehuld in priemende zonnestralen, dan weer zorgt een ondoordringbare mist voor een ander spectaculair tafereel. Langs deze weg staat een uit steen opgetrokken uitkijktoren annex restaurant, dat het hoogste punt van België markeert. Het krioelt hier op de mooie weekenddagen vaak van de motorrijders, die er allemaal komen genieten van een heerlijk dampende kop pittig gekruide goulashsoep. Die soep brengt mij ook terug op temperatuur. Ik vat het plan op om de toren te beklimmen, maar dat blijkt al heel wat jaren verboden, nadat het bovenste platform is ingepalmd door drie GSM-telefoonmaatschappijen. Ik laat me echter niet zomaar afschepen en met mijn allervriendelijkste gezicht en het verhaal dat ik bezig ben met een toeristische reportage voor een motorblad, gaat de uitbater overstag en mag ik naar boven, als ik het tenminste kort houdt. Beladen met mijn fototas bestorm ik de trappen van de toren waarbij de laatste ijzeren ladder naar het dakplatform me flink laat zweten. Pfff, maar het uitzicht over de Hoge Venen is werkelijk adembenemend. Als ik rond kijk, zie ik twee werelden die elkaar als het ware rond de toren omarmen. Rechts richting Robertville-Ovifat komt een dreigende mist opzetten terwijl links van me, richting Eupen, de Venen baden in een gloed van de herfstzon met een staalblauwe lucht aan de horizon. Maar je ziet de mist gewoon langzaam vooruit kruipen; de grijze flarden gaan het vandaag winnen van de zon. Binnen een kwartiertje is de toren bijna helemaal omsluiert door mistflarden en kun je amper een hand voor je ogen zien. Tijd dus om weer naar beneden af te dalen. In het hele gebied staan verschillende platforms boven de zompige moerasgrond, die allen mooie uitzichten bieden op de venen. Een ander “hoogtepunt” in deze streek is de Baraque Michel. In feite is dit niets meer of niets minder dan de barak of kluizenaarswoning die de Duitser Michel Schmitz, een kleermaker uit Sinzig aan de Rijn, daar ooit bouwde. Ik rij nu via Sourbrodt richting Elsenborn tot aan het ronde punt van Kamp Elsenborn. Veel oudere Belgen zullen zich hier herinneren hoe ze er in hun legertijd als dienstplichtigen door het slijk moesten ploeteren. Wat de meesten niet weten is dat Kamp Elsenborn al in 1893 werd opgericht door de Pruisen als exercitieterrein. Een museum vertelt de geschiedenis van dit kamp. Op de rotonde bij de ingang staat een oude tank en ik zet mijn eigen “tank”er maar even voor om een aardige foto te kunnen maken. De Buell Ulysses steekt schril af tegen het oude oorlogsgeweld. België heeft heel wat meegemaakt in de grote wereldoorlogen en ook in de Oostkantons vind je daar het nodige van terug. Zoals langs de kleine weg naar Nidrum, een van de eerste dorpen langs de route waar de wreedheden van de tweede wereldoorlog en het Ardennenoffensief in beeld komen. Ik bezoek er het plaatselijke kerkhofje en wanneer een goedlachse oude man, die bezig is met het poetsen van de graven, me ziet komen, vraagt hij spontaan: “Je zoekt zeker de graven van de Russen?” Ik knik ja. “Kom maar met me mee. Weet je,” vervolgt de man, “Mijn grootmoeder vertelde mij vroeger dikwijls over de Russen die op weg naar het deportatiekamp van Elsenborn stierven. Hun lijken werden destijds in het woud in een put gedumpt, maar na WOII hier opnieuw begraven. De Russische ambassadeur komt enkele malen per jaar persoonlijk kijken of de graven goed zijn onderhouden. De tweeëndertig zerken worden onderhouden door plaatselijke gemeentearbeiders, die daarvoor betaald worden door de Russische ambassade. Dat stamt nog uit de tijd dat deze krijgsgevangenen in de Sovjet-Unie echte helden waren.” De 32, met rode sterren getooide graven, staan er inderdaad onberispelijk bij en steken sinister af tegen de grijze mistige achtergrond. Enkele kilometers verder, in Baugnez bij Malmedy, is een nog schrijnender monument te vinden. Hier vind je een gedenksteen en de naamplaatjes van de vele Amerikanen die hier op 17 december 1944 door de SS werden gefusilleerd, nadat ze zich al hadden overgegeven. Het monument staat op de plaats waar de soldaten tevergeefs dekking zochten in een bevroren greppel… De Oostkantons kregen het trouwens tijdens het Von Rundstedt-offensief zwaar te verduren, waarbij heel wat dorpen met de grond gelijk gemaakt werden. Wie denkt dat alleen de streek rond Bastogne zwaar te lijden had in het ’44-offensief heeft het mis, want de werkelijke slag werd geleverd in de Oostkantons tussen Sankt-Vith en Amel, het vroegere Amblève. Vreemd is het dus niet dat je veel oorlogsmusuems en -monumenten aantreft in de Oostkantons. Eén van die museums vind ik in Poteau, of Pölberg in het Duits. Daar kocht het Nederlandse echtpaar Rob en Jaqueline de Ruyter ooit een oud douanekantoor kocht, knapten dat op en bouwden hun hobby van het restaureren van legervoertuigen uit tot een knap museum. Deze uit de hand gelopen hobby (zie ook www.museum-44poteau.be) bracht hen ooit ook naar de heuvels van de Oostkantons. Rob restaureert niet alleen jeeps en tanks, maar ook verschillende motoren en zijspannen behoren inmiddels tot zijn collectie. BSA’s, een BMW en meerdere Harleys staan naast Willy-jeeps en rupsvoertuigen. De vrouw des huizes leidt me rond, waarbij ze de geboorte van het museum tot in de puntjes uit de doeken doet. “We kwamen verschillende malen op vakantie in de Oostkantons en uiteindelijk kochten we een oude ruïne. Dat werd het museum waar je je nu bevindt. Tot op het einde van de eerste wereldoorlog was dit huis het douanekantoor. De Duits-Belgische grens liep immers nog op de oude grenslijn tot de Oostkantons in het Verdrag van Versailles als vergoeding aan België werden toegewezen. Drie jaren hard werken en verbouwen brachten het tot wat het nu is.” Het bijzondere van dit museum is dat je samen met het echtpaar in enkele gerestaureerde tanks en half-tracks kan rijden over terrein waar de grootste tankslagen van de oorlog werden geleverd. Naast alle gebruiksvoorwerpen, wapen en uniformen zijn vooral de aanwezige motoren de moeite waard. Met de militaire BMW R75 met zijspan staat er in het museum een uniek exemplaar in de wereld. De BMW was immers uitgerust met een aangedreven zijspanwiel en twee verschillende gearings; eentje voor de weg en eentje voor het veld. Verder vallen de Harley Liberator WLA, een para-scooter en een BSA M20 met zijspan op. Nog steeds groeit de collectie van de De Ruyters. Het museum is één van de betere privé collecties over de tweede wereldoorlog. Een lekkere streek vormt de Oostkantons ook. In het bosrijke gebied wordt veel gejaagd en veel restaurants hebben zeker in het najaar speciale wildgerechten. En neem het dorpje Montenauer waar op een eeuwenoude manier, door de overlevering van nageslacht op nageslacht, Jambon d’Ardenne op ambachtelijke manier wordt gerookt en gepekeld. Zo’n heerlijk broodje volgepakt met een berg van die donkerrode plakken smakelijke ham. Zelf eet ik in Amel een stevige hap; door de goede temperatuur kan ik zelfs in november in mijn leren overall op het terras plaatsnemen. De streek stikt van de regionale gerechten en producten maar in november – wanneer het jachtseizoen geopend is – staat er volop hert of everzwijn op het menu en dat is toch het summum van de Oostkanton keuken. Heel wat familiale en gezellige hotelletjes staan kriskras door de Oostkantons en het valt me ook op hoe motorvriendelijk de Oostkantons zijn. Vrijwel overal dienen zich borden aan met “Bikers Welcome”. Tussen Born en Recht hangt een heuse pocketbike aan de gevel van een horecazaak; duidelijker kun je het toch niet maken… Op de weg van Poteau naar Sankt Vith rij ik door Rodt dat een biermuseum huisvest. Het ligt aan de Tomberg en ruim 3.000 biersoorten uit 113 landen staan er tentoon gesteld. Het bier brouwen op de vijf continenten worden er in beeld gebracht. Ik proef het speciale biermuseum bier, of het huisbier. Naast de toeristische sector die misschien wel de grootste bron van inkomsten is, zie ik overal gerooide bomen die deel uitmaken van een grote papier- en papierpulpindustrie. Natuurpracht, rariteiten en historie zijn er ook in overvloed te vinden in deze streek. Even voor Montenau rij ik door Ligneuville. Dit dorp was in het verleden een kuuroord en ook hier is het kerkhof het markantste wapenfeit. Heel wat aristocraten en persoonlijkheden liggen hier begraven. De grafsteen die ik zoek vermeldt Mr. Hawarden, maar in feite was die persoon een vrouw die na een moord gepleegd te hebben de rest van de tijd als man door het leven ging en ook zo werd begraven. Ook dorpjes als Eibertingen, Waismes en Weywertz zijn landelijke pareltjes. Het valt me vooral op hoe verlaten de wegen zijn, zelfs in het weekend. Af en toe draai ik dan ook flink aan het gashendel om de Buell de sporen te geven, want flitspalen kom je in de Oostkantons bijna niet tegen. Op het laatste deel van mijn toertocht rij ik zelfs op nog kleinere wegen tussen Wallerode, Medell, Valender, Heppenbach en Andler. Je rijdt dan op kleine overzichtelijke weggetjes op een plateau met alleen maar weiden. Voordeel is dus dat je een prima overzicht hebt door bochten en op kruispunten, zodat je er flink de sokken in kunt zetten. Veel mensen – en motorrijders – kiezen de drukke wegen van de Semois-vallei, La Roche of de omgeving van Durbuy, maar verliezen de Oostkantons uit het oog, terwijl het hier toch zo heerlijk motorrijden is. Het is ook de streek van de stuwdammen in de Vesdre bij Eupen, in de Warche bij Robertville of de stuwen van Bütgenbach of Jalhay in de Gileppe. De burcht Reinhardstein, in de diepe vallei van de Warche op enkele honderden meters van de stuw en het meer van Robertville, is nog bewoond. Deze burcht uit de veertiende eeuw was drie eeuwen in bezit van de Graven van Metternich, die in Oostenrijk als kanselier wereldgeschiedenis schreven. Een andere kanjer van een burcht – dit keer als ruïne – staat in de vallei van de Ulf bij Burg Reuland. Dit is in het uiterste puntje van de kantons bij de grens met Luxemburg. Ouren is het laatste dorp voor de grens met het Groothertogdom aan het Drielandenpunt en schrijft met het Europa-monument pagina’s van de recente geschiedenis. Ook industriële archeologie is er volop in de Oostkantons met bijvoorbeeld het dorpje Recht waar men blauwsteen vindt. Langs de weg staan heel wat oude kipwagens gevuld met schieferstollen. Een godsdienstige streek zijn de Oostkantons ook, daarvan getuigen de vele kruisbeelden, kapelletjes en Christus- en Mariabeelden langs de weg. Malmedy, aan de samenvloeiing van de Warche en de Warchenne is een prachtige plaats met een mooi centrum. Veel tijd gun ik me er niet voor, want het einde van de toer is in zicht. Ik rij nog even door naar Francorchamps en neem een kijkje bij het schitterende circuit dat hier door de bossen slingerd. Dan is het mooi geweest: tijd om de snelweg weer op te draaien en huiswaarts te keren. >INFO >De heenreis De kortste route richting Oostkantons gaat over de A2 snelweg langs Eindhoven, het knooppunt Stein. Hier kan je de keuze maken om verder op de A2 langs Maastricht en Luik naar Eupen te rijden of langs de A76 naar Heerlen en Aken en op de rondweg van Aken de richting Luik te nemen. Secundaire wegen bieden de mogelijkheid om trajecten af te snijden. De afrit die je neemt voor de Oostkantons is in beide aanlooproutes nr.38 Eupen. Je bent dan aan de meest noordelijke poort van de Oostkantons. De afstand van Utrecht tot Eupen is ongeveer 240 km. >De routes Zonder goede wegenkaarten kom je hier niet ver, want in tegenstelling tot andere streken is de weg hier nog niet bezaaid met wegborden. De detailkaarten van NGI (Nationaal Geografisch Instituut) op schaal 1/50.000 bieden de beste oplossing. Of natuurlijk thuis op de computer alvast een route uitstippelen in Mapsource en die in je GPS programmeren. Wie rustig wil rond toeren kan ook gebruik maken van de routes die door de Toeristische Dienst van de provincie Luik zijn gemaakt en worden aangeduid met de welgekende zeskantige metalen borden. De rondrit gaat in klokwijzer vorm en je kunt d eroute op elk punt oppakken. Alle veranderingen van richting worden ruim bijtijds en overzichtelijk weergegeven. Voor het hart van de Oostkantons volg je het beste de “Venn und Seen Route”. Of in het Frans “Route des Fagnes et Lacs”, wanneer je het Duitstalige gebied even verlaat. Deze route is 149 km lang. Een andere mogelijkheid is de “Ourtal Route”van 108 km. Kaarten met tekst en uitleg van de route en haar bezienswaardigheden zijn te bevragen bij alle VVV. Voor de Slag van de Ardennen is er een speciale brochure met enkele routes door de Oostkantons. Naast heel wat beeldmateriaal staan alle monumenten en musea op deze vouwkaart die gratis is te verkrijgen bij musea, VVV’s en de toeristische diensten. Let er wel op dat veel dorpen zowel een Duitse als een Franse plaatsnaam kennen: Amel-Amblève, Pölberg-Poteau, Weismes-Waimes of Büllingen-Bullange. >Onderdak Voor overnachtingen kan je volop terecht in familiehotels. Grote hotelketens zijn hier – gelukkig – ver te zoeken. Enkele organisaties die hotels in de Oostkantons hebben zijn www.logis.be (de Belgische tegenhanger van het Franse Logis). Ook een aanrader is het motorvriendelijke www.mobikehotel.be. Meer informatie kun je ook verkrijgen via de sites www.eastbelgium.com (Dienst voor Toerisme Oostkantons en Sankt Vith), www.ftpl.be (Toeristische Federatie Provincie Luik), www.waimes.be of www.robertville.be (Toeristische Dienst Hoge Venen), [[[bildunterschrifte]] Seite 50-51 In het najaar leveren de Belgische Oostkantons een kleurig schouwspel op. Seite 52-53 De Buell Ulysses voor de tank bij de ingang van het ruim honderd jaar oude Kamp Elsenborn. De 32 Russische graven op het kerkhof van Nidrum worden keurig onderhouden. Naast het toerisme is de bosbouw een van de belangrijkste economische pijlers in de Oostkantons. De gedenkmuur en het monument met de naamplaatjes van de gefusilleerde Amerikanen te Baugnez Het uitzicht vanaf de top van de uitkijktoren aan de Signal de Botrange; hoger dan het hoogste punt van België! Seite 54-55 Een kleurig en sfeervol herfstpallet op de Hoge Venen. Kasteel Reinhardstein lijkt zo uit een sprookjesboek te komen. Devote mensen in de Oostkantons zorgen voor mooie plaatjes in de berm. Een verwijzing naar het graf van mijnheer Hawarden, die in werkelijkheid mevrouw Hawarden bleek te zijn… Seite 56-57 Industriële archeologie in Recht met oude kipwagentjes gevuld met schieferstollen. Één van de uitkijkpunten op de Hoge Venen nabij de Baraque Michel en de Signal de Botrange. In de Oostkantons bevinden zich heel wat oude stuwmeren. Het najaarszonnetje schittert in het water van een stuwmeer.

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.