+ Plus

Toeren Oud-Belgi

Een rit van Tongeren, de oudste stad van België, naar wellicht de tweede oudste stad van het land, Aarlen, is niet zo maar een alledaags toertje van A naar B. Tumuli (Romeinse grafheuvel), hunebedden, menhirs en overblijfselen van Romeinse villa’s verrijken namelijk de route. Kortom, een motorrit door een echo van het verleden. Voor we de motoren laten draaien, eerst een brokje geschiedenis. Atuatuca Tungrorum, de antieke benaming voor Tongeren, was tijdens de Romeinse overheersing in België de administratieve hoofdplaats van het volksdistrict Tungri. Voordat de Romeinen er in de eerste eeuw voor Christus binnenvielen, werd het gebied bewoond door de Eburonen. In 54 voor Christus hadden de Eburonen genoeg van de buitenlandse overheersing en onder leiding van hun koning Ambiorix, vielen ze de Romeinse bezetter aan. Tevergeefs, Ambiorix bracht de Romeinen weliswaar zware verliezen toe, maar moest zich uiteindelijk toch gewonnen geven. Caesar was echter danig onder de indruk van de strijdlust van de koning van de Eburonen, hij schreef zelfs in een verslag van zijn veldslagen de beroemde woorden ´de Belgae zijn de dappersten alle Galliërs´. Na de definitieve bezetting door de Romeinen zou Tungrorum uitgroeien tot een belangrijke Romeinse stad op de kruising van de heirbaan (oude Romeinse weg) naar Keulen. Tot zover de historische les over de Romeinse periode. Wie zelf deze geschiedenis in de stad Tongeren wil opsnuiven, kan niet om de basiliek en het omringende plein heen. Ambiorix staat er, met zijn kenmerkende bijl in de hand, hoog op een sokkel nog altijd op de uitkijk. De grijns op zijn gezicht verraadt dat hij nog steeds niet klaar is met dat zootje ongeregeld uit het diepe zuiden. Tegenover het standbeeld van de dapperste Galliër ligt het Gallo-Romeins museum en dat gaan we nog snel even met een bezoekje vereren, alvorens we dan eindelijk op de motor springen. Achter de deur neemt de tijd bijna ongemerkt een fikse wending en glijdt twintig eeuwen terug. Romeinse soldaten in krijgstenue heten ons welkom. Galliërs smeden er bijlen, pijlen en allerhande andere wapens als voorbereiding op de strijd. Opgegraven alledaagse gebruiksvoorwerpen zoals potten, pannen, kruiken, sierraden en glaswerk vullen de vitrines en het geheel vormt een bijna overdonderende aanblik. Je kunt hier gemakkelijk een paar uur doorbrengen zonder je te vervelen. Helaas, wij moeten er vandoor. We starten de motoren en sturen de stad uit. In zuidelijke richting laveren we over een op en neer golvend asfaltlint, dat een rechte streep door velden en akkers trekt. Plots duikt aan de rechterkant van de weg een vreemde, met gras bedekte heuvel op. Dit moet wel een tumuli, Romeinse grafheuvel, zijn. We gaan in de remmen en zetten de motoren in de berm. De rare, uit de kluiten gewassen molshoop waarop wat opgeschoten struikgewas groeit, steekt een tiental meters boven het omliggende land uit. Een tumuli werd door de Gallo-Romeinen gebruikt om er hun doden te begraven. We lopen even rond de basis van de grafheuvel, maar heel veel te zien is er eigenlijk niet, en dus besluiten we verder te gaan. We mijden het centrum van Luik via de E42 om vervolgens ter hoogte van Tilff de Ourthe vallei in te duiken. Langs het water rijden we in een gezapig tempo verder. Een noodzakelijk kwaad eigenlijk, een beetje snelheid maken is door de fel oprukkende lintbebouwing namelijk bijna onmogelijk. Verkeersdrempels en een aaneengeregen streng verkeerslichten zorgen er daarbij voor dat je nauwelijks kan krijgt om in te dommelen. Ter hoogte van Comblain-au-Pont sturen we naar de vallei van de Amblève. Het wegenpatroon volgt de grillige loop van de rivier en daar lusten we wel pap van. Een reeks bochten, waarvan er geen twee hetzelfde zijn, volgen elkaar in recordtempo op. We wiegen van de ene kronkel in de andere, waarbij de schaarse rechte stukken enkel gebruikt worden om de volgende bocht perfect aan te snijden. En zo komen we behoorlijk dol gedraaid in Aywaille terecht. In een schuine lijn, op de kaart wel te verstaan, tuffen we door het zuidelijke deel van de Condroz. Bos, veld en gemaaide akkers wisselen elkaar af. Hier vind je ook verschillende typisch Belgische vierkantshoeven, die als grijze papiersnippers tussen het deinende achterland verspreid liggen. Verkeer is er nauwelijks. De voornaamste tegenliggers zijn tractoren en we worden dan ook overvallen door een gevoel van kalmte. Haast is opeens een vaag begrip geworden. Terwijl we verder rijden, zien we hoe de zon de wolken langzaam in stukken scheurt, om ons niet veel later het volle pond te geven op de zwarte motorpakken. We rijgen de kilometers aan elkaar, ter hoogte van Bomal stuiten we uiteindelijk andermaal op de meanderende Ourthe. We draaien links richting Wéris. Een derderangs weg hobbelt door de velden, raakt net niet verstrikt in zijn eigen kronkels, en mondt uiteindelijk uit op een door bomen afgebakend grasveldje, dat een beetje verweesd tussen de graanvelden ligt. Onder de bomen liggen reusachtige blokken als dominostenen op en over elkaar. De hunebedden en menhirs van Wéris wordt niet geheel toevallig wel eens het Belgische Stonehenge genoemd. We zetten de motoren in de schaduw en slingeren te voet door dit prehistorische doolhof. Voor onze voeten ligt vierduizend jaar geschiedenis. Een hunebed is een grafmonument dat bestaat uit een aantal rechtopstaande stenen, die een platte deksteen ondersteunen. De overledene werd in het hunebed begraven zodat zijn ziel rustig kon rijpen om later ten hemel te varen. Een menhir is daarentegen een langwerpige steen, die staat of ligt en waarvan men vermoedt dat hij als gedenksteen of monument diende. Een flink stuk historie, de plaats heeft ook iets mysterieus, iets dat moeilijk te bevatten is. Het is een heerlijke plek, waar de wind zachtjes tegen de bomen fluistert en de tijd even lijkt stil te staan. We gaan even rustig in de schaduw zitten en denken aan…ja aan wat eigenlijk? Hoe het hier een paar duizend jaar geleden was? Hoe ze die stenen, die toch gauw een halve ton wegen, op elkaar gekregen hebben? En waar komen die stenen eigenlijk vandaan? Allemaal vragen, waar zelfs wetenschappers maar moeilijk en zeker geen sluitend antwoord op kunnen geven. Misschien is het ook wel beter dat we er niet het mijne van weten. Het ongewisse geniet immers een bepaalde aantrekkingskracht, die onmiddellijk verdwijnt wanneer het geheim erachter wordt onthuld. We klauteren weer in het zadel en rijden in stilte weg, een kwestie van respect om de zielen te laten rusten in hun bed van de eeuwigheid. Via secundaire slingers gaat het verder naar Erezée en Dochamps. En dan slaan we rechtsaf op een asfaltspoor dat met moeite ruimte biedt aan één auto. De smalle weg loopt naar Berisménil, een dorpje ter grootte van een flinke zakdoek. Het uitspreken van de naam duurt langer dan het erdoorheen rijden zelf. Toch hebben we hebben een gegronde reden om er even te stoppen. Diep in de bossen hier liggen namelijk de overblijfselen van een Keltische vesting. Een stenen muur, deels gerestaureerd, omringt een gebied van 13 hectare en vormt daarmee vermoedelijk de grootste archeologische site van Keltische oorsprong. Uiteraard is er aan deze vreemde muur een legende verbonden , die luidt als volgt. In een diepe put, gelegen in het midden van de vesting, ligt een waardevolle schat, die elk jaar op kerstdag aan de oppervlakte komt wanneer de kerkklokken twaalf maal luiden. Wie de schat wil hebben, moet eerst een zwarte kip in het gat te gooien en mag vervolgens de schat meenemen. Echter wel onder de voorwaarde er achteraf nooit meer over te spreken. Drie lokale boeren is het ooit gelukt, ze waren echter alle drie loslippig en verdwenen op een dag spoorloos. Ook geïnteresseerd? Houd dan met één ding rekening, het is vijf kilometer lopen naar de vesting, zelfs zonder een zak goud op de rug een flink eind! Het moge duidelijk zijn, zonder schat rijden we verder naar het oosten. Een handjevol kilometers verderop ligt Nadrin. Rue du Villa Romeine trekt onze aandacht. Een gele wegwijzer met ‘Villa Romeine’ richt zijn pijl naar een grasvlakte. Even stappen en we staan bij de grondvesten van wat ooit een Romeinse villa was. Het moet een enerverend stulpje zijn geweest. Resten van de muren steken een halve meter boven de grond en een trapje leidt nog naar wat ooit een kelder was. De Romeinen konden blijkbaar tweeduizend jaar geleden al de rust en charme van de Ardennen waarderen. We blijven niet te lang hangen en rijden in één ruk naar Houffalize. Niet bepaald een huzarenstukje op stuurgebied, wel een mooie omgeving langs de oevers van Ourthe. Op het plein van het stadje doen we wat alle Belgen doen: een terrasje pakken. Een warm welkom valt ons ten deel, tot onze stomme verbazing worden we namelijk bediend door een Nederlandse waard. Houffalize is de mountainbike hoofdstad van België, alles draait er rond de fietsen met dikke bandjes. Dat is blijkbaar onze met een flinke handelsgeest gezegende Hollanders gastheer ook niet ontgaan. Het vervolg van onze route loopt over het plateau van Bastogne, vijfhonderd meter boven de zeespiegel. Op de bijna boomloze hoogvlakte heeft de wind vrij spel en dat ondervinden we aan den lijve wanneer deze de flanken van de motoren flink teistert. We rijden door een stukje België waar blijkbaar nog alle ruimte is. Voldoende plaats ook om eens flink aan het gashendel te draaien zonder op de lange tenen van de nog langere armen der wet te trappen. En zo stuiven we met een meer dan behoorlijk tempo door de pampa van de Provincie Luxemburg. We naderen Fosset (deelgemeente van Amberloup ), een gehucht van vijf huizen rond de kerktoren. Een riviertje, nauwelijks breder dan een badkuip, snijdt het dorp in twee. En waar water is, zijn bruggen. Het natuurstenen bruggetje, dat met drie kleine bogen de Laval overspant, is eveneens van Romeinse makelei. De reden ook waarom we hier even kortstondig neerstrijken. Het bruggetje ter breedte van een karrenspoor leidt zo het bos in. Nu althans, tweeduizend jaar geleden was de eindbestemming wellicht anders. Auto’s en motoren mogen er niet overheen, die worden naar een betonnen variant verderop geleid. We starten de motoren en draaien naar het zuiden. Een Ardenner weggetje loopt zigzaggend heen en weer tussen weidegrond en akkerland. Hier en daar zorgen plukken naaldbos voor wat afwisseling in het natuurlijke decor. Doorgaand verkeer is er nauwelijks. België dichtbevolkt? Je moet hier eens komen. In een mum van tijd glijden er dan ook een flink pak kilometers onder de wielen door. We rijden door het enorme woud van Anlier en rollen niet veel later de Gaume binnen. In Habay-la-Vieille nemen we andermaal een kijkje bij de overblijfselen van een Romeinse woning, villa Mageroy genaamd. Aansluitend gaat het in een laatste rechte lijn naar Arlon. Een brede tweebaansweg brengt ons pal in het centrum van de stad, precies waar we moeten zijn. Net als Tongeren is ook Aarlen een oude vestingstad, dat tijdens de Romeinse overheersing Orolauno Vicus heette. Uiteraard kan je ook hier weer de amateurarcheoloog uithangen. Zo vind je een archeologisch park met de overblijfselen van een thermaalbad. Pal ernaast ligt een 1500 jaar oude begraafplaats. De grafstenen van de Franken staan kris kras door elkaar. In sommige stenen kun je met moeite nog wat gebeitelde inscripties waarnemen. In een kelder, enkele meters onder de begane grond, stuit je op een verdedigingstoren van de oude achthonderd meter lange stadswal. Wil je alles weten over het volk van Caesar, dat is het Gallo-Romeins museum een echte aanrader. Als afsluiter van de toer rijden we naar de bron van de Semois. Een bordje ‘Source de la Semois’ vergemakkelijkt ons zoekwerk en niet veel later staan we voor een gemetseld bassin waarin water opborrelt: de bron van de rivier inderdaad. Bizar, de Semois blijkt midden in de stad te ontspringen. Op een oude gedenksteen boven het water prijkt de beeltenis van een reiziger die aan de bron zijn dorst lest. Goed voorbeeld doet goed volgen, wij lusten inmiddels ook wel wat. Gelukkig zijn de tijden veranderd, we kiezen voor een terrasje! ________________________________________ [INFOKASTEN] INFO De tourroute ‘Het oudste van België’ loopt van Tongeren in de Belgische provincie Limburg, tot in Aarlen in de provincie Luxemburg. De eerste kilometers van de rit zijn nog op Vlaams grondgebied, waarna de route dwars door de Ardennen zakt tot in het zuidelijkste puntje van België, de Gaume genoemd. Lengte: 210 km Afstand vanaf Utrecht: 200 km (Tongeren) Toeristische trekpleisters: Het Gallo – Romeins museum, Kielenstraat 15, Tongeren, www.galloromeinsmuseum.be De dolmen van Wéris (vrij te bezoeken), www.weris-info.be Romeinse villa in Nadrin (vrij te bezoeken), Rue du Villa Romaine Nadrin (Houffalize) Romeinse villa in Mageroy (Habey-la Vieille), www.mageroy.be Romeinse brug in Fosset (Sainte – Ode) Romeins museum in Aarlen, Rue des Martyrs 13, Arlon, www.arlon-tourisme.info Nuttige websites: Office de promotion du tourisme de Wallonie: www.opt.be Féderation touristique du Luxembourg Belge: www.ftlb.be Toeristische Dienst Tongeren: www.tongeren.be Toeristische Dienst Arlen: www.arlon-tourisme.be

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.