+ Plus

Reizen Stubaital, Oostenrijk

De eeuwenoude droom der mensheid om te kunnen vliegen als extra dimensie naast het motorrijden, kan dat? Jazeker, een cursus paragliden staat al lang op mijn verlanglijstje, en wat doe je dan wanneer deze in het Oostenrijkse Stubaital in Tirol plaatsvindt? Dan neem je de motor mee natuurlijk!

De spanning is om te snijden, mijn hartfrequentie hoog. Op mijn rug heb ik een 17 kilo zware rugzak en de vraag waarom ik dit in godsnaam doe, schiet continu door het hoofd. Terwijl ik er toch echt zelf voor heb gekozen. Maanden geleden al heb ik me vol enthousiasme opgegeven voor deze cursus paragliden, samen met een vriend van me, Andy. Aan een ding had ik in mijn euforie niet gedacht: 800 meter boven het Stubaital zal ik alleen maar in de lucht worden gehouden door een aantal dunne koordjes en een scherm, dat is gemaakt van een soort textiel dat ik voor het laatst heb gezien aan de binnenkant van mijn heilige communie pak. Behoorlijk magertjes wanneer de persoonlijke vliegervaring zich beperkt tot een comfortabele zitplaats aan boord van een Airbus A-driehonderd-weet-ik-veel. Echter zijn we nog niet in de lucht. Maar toch: het startpunt op de top van de Elfer hadden we gisteren al hoog boven de provinciale weg in het Stubaital zien liggen, toen al sloeg de twijfel toe. “Vanaf daarboven? Nooit van mijn leven!”, verwoordt Andy treffend mijn gevoel.
Om een beetje vertrouwd te raken met het landschap zijn we met onze motoren tot aan het einde gereden van de asfaltweg in het Stubaital. De lucht rook naar mos, bruisend schuim kwam ons tegemoet van de Grawa-waterval. Diep doorademen, in een landschap waar je bijna sprakeloos van wordt. “Herinner je je nog de eerste keren dat je op een motorfiets zat?”, vraag ik Andy. Natuurlijk, de eerste keer op het zadel wisten we totaal niet waar we mee bezig waren. Maar aan moed om iets nieuws te proberen, daaraan ontbeerde het ons zeker niet. “Waar zit hem daar nou precies het verschil met paragliden?”, vraag ik dan ook af. De komende nachten zou ik waarschijnlijk net zo onrustig slapen als voor de eerste rijlessen op een motorfiets, die met zijn 27 pk erg bruut op me overkwam.
De inhoud van de 17 kilo rugzak wordt tactisch verspreid over de vlakke oefenweide. Gordels, koorden, een scherm. De koorden zitten zodanig door elkaar, dat een cursus makramee voor gevorderden onvermijdelijk lijkt. Maar het valt uiteindelijk allemaal wel mee: vlieginstructeur Markus trekt eventjes aan de remkoorden, beweegt de draden losjes heen en we zijn klaar voor de start. Even snel nog de karabijn in de riem hangen, de rem- en stuurgrepen vast in de handen nemen, de koorden op spanning en dan gááááán!’

“Sneller, sneller!”, hoor ik Markus achter mij roepen. Kon ik het maar! Het scherm boven me leidt een eigen leventje en gaat de ene keer naar rechts en dan weer naar links. Na honderd meter ben ik helemaal buiten adem, alsof ik heb geprobeerd Usain Bolt in te halen. Niemand kan op de eerste dag al uitblinken, maar toch kijk ik nu al uit naar het vooruitzicht op een verzoenende rit op onze motoren in de avond. Da’s voor later, eerst gaan Andy en ik nog een aantal keren over het veld vliegen.
Rijden op de motor als compensatie, zelfs in mijn dromen ben ik daar nog niet op gekomen! We blijven op de Brennerstraße richting Innsbruck en maken op de rotonde vlak voor Mutters een scherpe draai naar links. We rijden langs fruitweiden en boeren die hooi binnenhalen, alvorens we aankomen in Sellrain. En precies hier is de lusteloosheid en afmatting, die sinds het haperende vliegdebuut in de botten zit, volledig verdwenen. Na Sellrain gaat de weg steil omhoog naar de Kühtaisattel en Andy geeft zijn GS op een dusdanige manier de sporen, dat ik mijn machine echt tot drie cijfers achter de komma moet uitmelken om in zijn spoor te blijven. Meter voor meter winnen we aan hoogte en eindelijk blaast de aanwakkerende avondwind de hitte van de dag uit onze lichamen. De met ijs geserveerde cola op het terras van de Dortmunder Hütte doet het overige om ons weer op een normale bedrijfstemperatuur te krijgen.
De rijkste man van het Stubaital is zeer waarschijnlijk de plaatselijke geraniumhandelaar. Er is geen enkel balkon te bekennen waarvan geen flinke geraniumvelden over de balustrade naar beneden woekeren. Als ik dan zo aan mijn eigen balkonnetje denk… “Zonder behoorlijke bloembakken ben je in het Stubai een echte buitenstaander”, legt Moni uit, de cheffin van onze vliegschool. Aha, dus dat is de reden!

We staan bij de oefenhelling met een geschatte hellingsgraad van 100%. De schermen liggen er net zo uitgespreid bij als gisteren. Mijn lichaam stribbelt tegen. Zo steil? Hier ga je behoedzaam naar beneden, toch niet hollend? Echt niet! Ben ik eigenlijk wel vrij van hoogtevrees? “Het komt allemaal wel goed!”, hoor ik Moni zeggen via de walkietalkie. Ik hijs mijn scherm op, tot het ding boven me hangt. Dan begin ik te hollen. Twee stappen, de derde stap zet ik al in de lucht. Wow! Tien seconden later land ik zachtjes als een dot watten met harige benen op het grasveld. Wat een gevoel, dit kon niet beter, alsof ik zelf een landing heb gemaakt met een Concorde. De keerzijde is dat ik nu te voet een klim moet maken van tien minuten bij een temperatuur van 35 graden Celsius, met ook nog eens de 17 kilo zware uitrusting op mijn rug. Na de vijfde keer deze 10 mooie seconden te hebben beleefd, klim ik hijgend de helling weer omhoog. Bij Andy gaat het niet veel beter, hij heeft dezelfde problemen. Maar er is geen twijfel. We kunnen niet wachten op onze eerste echte vlucht. Moni vrolijkt ons op om de nog resterende krachten te mobiliseren: “Als jullie vandaag nog tien starts en landingen voltooien zijn jullie dinsdagochtend voor de hoogtevlucht ook van de partij.” Wat zeg je nou? Overmorgen al?
Na het gezwoeg op de oefenhelling zijn we het met elkaar eens. Het is de hoogste tijd voor meer compensatie. Waar zullen we eens naartoe rijden? Brenner, Jaufenpass, Timmelsjoch! Echt vlammen kunnen we niet bij de Brenner. Dankzij de snelweg is de route weliswaar gevrijwaard van vrachtverkeer en storende caravans die het tempo eruit halen, maar de zorg over extra persoonlijk tolgeld vanwege de extreem strenge politiecontroles doet ons besluiten richting de grens te cruisen. Twee kruispunten na Sterzing verdwijnt de cruise-modus vanzelf weer. In het begin meandert de bergpasweg door een schaduwrijk bos. Maar telkens weer blinkt de zon door de kleine openingen in het dak van bladeren totdat de bomen achterblijven. Prentenboekkoeien vullen op de almweiden hun zeven magen. À propos maag: zullen we even een korte pauze inlassen op de Jaufenpass? Jazeker!
Als de cafeïne net z’n wakkere werk doet, doemen achter ons twee Fireblade-rijders op bij de afdaling naar Sankt Leonhard. Duidelijk, de snelle jongens laat je er met een wenkbeweging meteen langs, maar hoe snel zijn ze nou werkelijk? Beiden gaan ze steeds laat in de remmen, maken scherpe bochten en schrapen daarbij met hun knieën over het wegdek. Krappe lijnen rijden ze, door de bochten iets ruimer aan te snijden kunnen we ze met onze toermachines redelijk tot goed bijhouden. Op haren en snaren, dat wel, maar het voelt toch lekker. In Sankt Leonhard scheiden onze wegen zich weer, de Blade-rijders hebben een sportieve instelling, zwaaien eventjes en buigen dan af richting het zuiden naar het Passeiertal.
Van ons rondje over de Timmelsjoch komt vervolgens helemaal niets terecht. Niet dat dat aan het Timmelsjoch ligt, of aan het wegdek, of dat er een plotselinge weersomslag heeft plaatsgevonden. Nee, we hangen eerst even flink aan het gas, omdat we zo goed zijn opgewarmd door de Fireblades. Enkele gemsbokken aan de binnenkant van een aantal haarspelbochten, vlak boven Schönau, halen de snelheid er echter weer uit. Bij het Jausenstation voor de tunnel komen we vervolgens even tot stilstand. Hier moet je simpelweg even van het panorama genieten, en dat lukt je niet als je snel rijdt, ook langzaam niet trouwens. De waardin trakteert op koffie, verder rijden doen we echter niet. Elf euro kost de tunnel. Nu ben ik bepaald niet gierig, maar tweeëntwintig euro voor een paar kilometer asfalt? Nee, dan genieten een andere keer wel van het panorama aan de andere kant!

Afgelopen nacht amper geslapen. En niet alleen maar door de hoeveelheden pizza die ik heb genuttigd. Een innerlijke rusteloosheid is er debet aan. Wat als er toch iets misgaat? Ik probeerde me voor te stellen hoe Otto Lilienthal of de gebroeders Montgolfier zich moeten hebben gevoeld, toen zij voor het eerst de lucht in zijn gegaan met hun dwaze vliegmachines. Daar kwamen helemaal geen goed opgeleide instructeurs met walkietalkies aan te pas. Ook geen reddingschermen of betrouwbare weersvoorspellingen. Wanneer de kabelbaan ons naar boven brengt, naar de top van de Elfer, blijven deze gedachten door m’n hoofd spoken. De cabine is nog niet eens boven op de Elfer aangekomen, toch zou ik nu al liever de okselharen van een Oekraïense vrachtwagenchauffeur bijwerken dan dat ik straks een eerste poging ga wagen om een hoogtevlucht te maken.
Een half uur later is het zover: de koorden zijn gesorteerd, de karabijn hangt in mijn gordel en het zicht is goed. Via de walkietalkie hoor ik de vlieginstructeur: “Alles is in orde, klaar voor vertrek!” Drie stappen later hang ik in de lucht. Na een ruime bocht naar links vanaf de startplek bevind ik mij boven het achthonderd meter, onder mij liggende Stubaital. Het is als in een film, een mooie film, waarin de gedachten weer op een rijtje worden gezet. Voor me ligt Innsbruck, aan mijn linkerhand de gletsjer aan het einde van het Stubaital. “Doe je benen eens over elkaar, zodat ik kan zien dat je me kunt horen”, hoor ik Moni zeggen via de walkietalkie vanaf de landingsplaats, ze haalt me daardoor plotseling helemaal uit mijn gedachten. “Dan zie je er ook niet zo maf uit met je verkrampte benen.” Oh ja, mijn houding ziet er vanaf beneden waarschijnlijk eerder uit alsof ik voor een onderzoek bij de uroloog ben, dan dat ik ontspannen aan het vliegen ben. “En nu langzaam naar rechts sturen en een beetje in de bocht gaan hangen.” Het lijkt inderdaad bijna echt op motorrijden! Geen hectische bewegingen, een vooruitziende blik en altijd netjes het tempo in de gaten houden. Vijftien minuten later: touch down op het grasveld van de vliegschool. “Halleluja!”
Echte piloten mogen we ons noemen, een feestje dat gevierd gaat worden met een passend uitstapje op de motor. “Laten we naar de gletsjerweg in het Kaunertal rijden”, luidt Andy zijn voorstel. We kiezen voor de Kühtaisattel als tussenstop, om dan naar beneden te rijden het Ötztal in. Goed dat we onlangs, toen we ook op het motorzadel zaten, rechtsomkeert hebben gemaakt. Dat maakt de heftige afdaling naar Oetz een dubbele groot feest. Maar de echte pret begint pas op de route van Wenns via Piller naar Kaunerberg. Krap en met allerlei verborgen bochtjes. Het schakelmechanisme heeft het behoorlijk druk en de nippels op de zijkanten van onze banden smelten weg. Dan een gedwongen pauze bij het tolkantoor naar de gletsjerweg. Maar wat maakt het uit? Een pilotenfeestje is immers een pilotenfeestje.

Het asfalt is hobbelig, we rijden langs het bleek glanzende stuwmeer de haarspeldbochten tegemoet. Dan begint de bochtencountdown naar de gletsjer. Waanzinnige 180 graden slingers, steile beklimmingen. Kortademige auto’s worden in de achteruitkijkspiegel gauw kleiner. Op een bepaald moment zorgt de power van de motor ervoor dat ik van oor tot oor moet glimlachen. Op het lange rechte stuk voor het gletsjerpark is er opeens weer dit gevoel, dat ik ook bij mijn hoogtevlucht opeens kreeg. Een film, een mooie film. Ver boven het dal zie ik de Weißseespitze en de gletsjer. En dat allemaal al flink hoog tegen het hemeldak aan. En dan de landing op de parking. Ik klap mijn standaard uit en ben direct weer terug in de realiteit. Ik heb een beetje trek. Op naar het restaurant naast de parking dan maar. Bij binnenkomst voelt het als een droom, een slechte weliswaar. Alsof ik terugkeer naar een specifieke tijd en plaats in het verleden: 1990, wegrestaurant Medenbach aan de A3 bij Frankfurt. Dezelfde kantineatmosfeer, maar dan in een berghut midden in de Alpen aan de voet van een gletsjer. Een kijkje door het raam naar buiten verschaft zekerheid. Ja, we zijn nabij de gletsjer, niet langs een een snelweg. Troosteloos is eigenlijk nog teveel eer voor de inrichting hier. Koken kunnen ze er wel, de spare ribs smaken uitstekend.
Desondanks liever weer buitenlucht in. Er is nog steeds geen wolkje aan de hemel en de gletsjer glanst wittig-grijs. We rollen de motoren naar de rand van de parkeerplaats, van waar je tot ver in het dal naar beneden kunt kijken. “Stel je eens voor om vanaf hier gewoon met je scherm te starten voor een hoogtevlucht. Een beetje opwaartse wind, een kleine afzwaaier over de gletsjer en dan door het hele dal vliegen. Of maar meteen over de Alpen.” Andy start zijn GS. “Vooraf doe ik eerst nog even een cursusje thermiek ”, roep ik hem toe. “Alles is in orde, klaar voor vertrek!”

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.