+ Plus

Reizen Noord-Spanje

Natuurlijk schijnt de zon er uitbundig… als het niet regent. En hoewel dichterbij dat de toeristische costa’s ligt het het meer groene, noordelijke deel van Spanje nog altijd niet bepaald om de hoek. Maar het is er mooi, zo ver-schrik-ke-lijk mooi. Daarom een motorische pelgrimage naar het einde van de wereld!

Na een sombere start vanaf huis volgt een zonnig intermezzo in het groene landschap van de Franse Vexin. Een korte maar doortastende onweersbui in Chartres gooit echter roet in het eten. De nattigheid laat zich meteen voelen in het kruis en daarmee ook in de portemonnaie, want wat ik heb neergeteld voor die modieuze motorbroek is niet niks. Dan is mijn compagnon met zijn knalgele oliebroek heel wat beter af. Zelfs zijn Spartaans uitgeruste, inmiddels aardig op leeftijd zijnde Honda XL600 bijt zich dapper vast in de staart van mijn tijger.
Regenen doet het ook de volgende ochtend. Pelgrims behoren blijkbaar af te zien. Toch worden onze gebeden verhoord, wanneer de hemel weer wat kleur bekent. Voorbij Bordeaux schudden we in een ijltempo de meeste wolken van ons af. Walmende vrachtwagens proberen nog wat roet in het eten te gooien op de bochtige uitlopers van de Pyreneeën, maar dan kondigt zich Pamplona aan, Hemingway’s geliefde stierenstad.
‘The sun also rises’ in Puenta la Reina, onze eindbestemming van de dag. Lokt San Fermín dolgedraaide toeristen naar de stierenfeesten in Pamplona, hier in het dorp is het Sint-Jacob (Sant’ Iago in het Spaans) die nog altijd devote pelgrims over de romaanse brug jaagt. Nog meer dan vandaag zorgde het graf van Jacobus in de middeleeuwen voor een mensenstroom naar wat toen als het einde van de wereld (finisterre) werd beschouwd. Precies in deze noordwestelijke uithoek van het Iberisch Schiereiland spoelde het stoffelijk overschot van de apostel in een stenen bootje aan. Acht eeuwen lang leidde het verhaal een teruggetrokken bestaan in het rijk der legenden, totdat een kluizenaar het vergeten graf opnieuw ontdekte. Het verhaal had nu een naam en een plaats. De weg naar Santiago de Compostela lag helemaal open…

Het loopt al tegen elven wanneer we het dorpsrestaurant verlaten. Sterren twinkelen veelzeggend boven de Camino Frances (pelgrimsweg), die hier recht door het dorp loopt. We wandelen nog even naar de oude brug die de koningin van Navarra cadeau deed aan haar onderdanen, onderwijl zingt in de verte een nachtegaal zijn laatste lied. Dat doet men ook in de kamer naast mij, zij het minder melodieus.
Geen zoetgevooisd vogelgekwetter maar de scherpe tonen van een wekker roepen me tot de orde. Wie naar Santiago wil, heeft geen tijd te verliezen. Bovendien moeten we voor de Santa María de Eunate enkele kilometers terug. Een vriendelijke boer in jeep gidst ons van Obanos recht naar het romaanse kerkje, dat zich als een heremiet heeft afgezonderd in het landschap. Naar verluidt behoorde het kerkje met zijn achthoekige bogengalerij toe aan de Tempeliers, de christelijke orde die waakte over de veiligheid van de bedevaarders op wat in de 12e eeuw de drukste weg van Europa moet zijn geweest.
Pelgrims stoppen nog even in het op een heuveltop gelegen Cirauqui, maar zelf rijden we meteen door naar ‘Estella la bella’, het mooie Estella. Vanaf de overkant van de río Ega, waar de Puente de la Cárcel de rivier in één boog overspant, heb je inderdaad het mooiste zicht op deze romaanse stad. Nijvere Joden en Franse ambachtslui speelden verstandig in op de behoeften van de reizende pelgrims en maakten zo van Estella één van de meest welvarende steden langs de Sint-Jacobsweg. Ook nu heerst er een drukte van jewelste, zodat we het er sneller dan verwacht voor gezien houden.
Zowel Logroño als Burgos, dat we nog kennen van een vorig avontuur, laten we aan de pelgrims over. De NA132A heeft voor ons namelijk een rustiger ritje langs de río Ega in petto. Toch wordt het in Laguardia opnieuw zoeken naar een plekje. Je komt er dan ook niet zo maar binnen, want massieve muren omsluiten nog altijd het heuvelstadje. De vesting werd in de 13e eeuw op last van Navarra opgetrokken om grote buur Castilië in de gaten te houden. Vandaag de dag bewaakt het vooral de crianza en reserva wijnen die er opgeslagen liggen.
Wijngaarden en bodega’s genoeg in het glooiend landschap van de Rioja. Onder de beschutting van de kalktoppen van de Sierra de Cantabria rijpt de tempranillo, Spanje’s nationale druif, onder de beste omstandigheden. De Ebro, ’s lands langste rivier, kronkelt zich in enkele schilderachtige bochten en breekt er de eentonigheid van het in cultuur gebrachte landschap mee. Wat later krijgt het landschap opnieuw karakter. In Poza de la Sal hoef je geen Spaans te kunnen om te zien dat intensieve zoutwinning haar sporen duidelijk heeft nagelaten. Goud en zilver waren blijkbaar niet de enige bodemschatten die de Romeinen uit Hispania haalden. Maar genoeg gelummeld, het is tijd voor wat actie. Ik geef meteen de Tiger een flinke por en jaag hem huilend de pas over. Boven op schrale hoogte word ik door een legertje groene jongens nadrukkelijk teruggefloten. Met geheven arm staan ze me stilzwijgend op te wachten, deze gestroomlijnde nazaten van Don Quijote’s denkbeeldige vijand. Veel beweging zit er echter niet in de windmolens, tot zover het Spaanse hoofdstuk betreffende groene energie…
Aguilar de Campóo komt zo wel heel dichtbij. Logeren doen we in het twaalfde eeuwse Monasterio Santa María la Real, een prachtig gebouw met lange historie. Het heeft weliswaar een zeker mate van charme, maar het kamertje is klein en sober. Gauw naar buiten dus, waar de zon met een laatste inspanning een rosse gloed borstelt op de hooggelegen burchtruïne. Echt warm is het niet als we naar de Plaza de España met zijn typische arcadenbouw wandelen. Aguilar de Campóo ligt dan ook op 900 meter hoogte, op de scheiding van het regenrijke Cantabrisch gebergte in het noorden en de dorre Castiliaanse meseta in het zuiden. Het stadje moet een gouden tijd hebben beleefd in de middeleeuwen, dat lezen we af uit de wapenschilden van de talrijke herenhuizen in het centrum. Vandaag zijn het vooral koekjes (galletas) die hier de economie doen draaien.

De zon heeft vandaag merkbaar last van een ochtendhumeur, de toppen van het Cantabrisch gebergte krijgen we helaas niet te zien. Vervolgens wel een vlak tafellandschap met een blik op oneindig. Dan maar wat tempo maken. In het levendige vestingstadje Mansilla de las Mulas treffen we de pelgrimsroute andermaal. Er is markt en dus is het gezellig druk op de Plaza del Pozo. Hoewel het middeleeuwse stadje met haar hoge muren een verkenning verdient, beperken we ons tot wat mensen kijken vanachter een koffie. Het is tenslotte vakantie.
Nog geen twintig kilometer verder vallen we in herhaling, deze keer in León. De stad vierde haar hoogtepunt in de middeleeuwen. De naam verwijst naar de Romeinen, die er in 68 na Christus hun legioen Legio Septima legerden om de naburige goudmijnen van Las Médulas te beschermen. Na de Romeinen volgden nog de Visigoten en Arabieren, totdat Léon in de 10e eeuw werd uitgeroepen tot hoofdstad van het koninkrijk Asturië. Voeg daar nog een pelgrimsroute aan toe en je begrijpt de architectonische rijkdom van de stad.
Net als León ontwikkelde ook Astorga zich uit een legerkamp, pal op de Romeinse Zilverroute. En ook hier zorgde de ligging op de camino voor de nodige voorspoed, die zich weerspiegelt in de gebouwen van het ommuurde stadje. Astorga was van oudsher ook een belangrijke bisschopsstad, wat de Catalaanse architect Gaudí op prachtige wijze heeft vereeuwigd in zijn bisschoppelijk paleis.
De N6 leidt ons naar Ponferrada. Kerselaars en druivenranken doen het beste vermoeden. Een vermoeden dat wordt bewaarheid, zo blijkt wanneer we in het dorpje Canedo de oprit van Prada’s domein oprijden, een soort Falcon Crest dat uitkijkt over de wijngaarden en het omringende landschap van El Bierzo. Een droge tostada met sterke koffie, méér krijg ik niet naar binnen de volgende ochtend. Gewillig laat ik me op de rug van de tijger naar de goudmijnen van Las Médulas voeren. Bovengrondse ontginningen hebben het landschap eerst volledig van zijn oorspronkelijke karakter beroofd, waarna de natuur in de loop der eeuwen het zaakje weer in eigen hand heeft overgenomen. De techniek van de Romeinen was simpel en doeltreffend: uit de naburige bergen voerden ze het water via een systeem van kanalen naar tunnels in de rotsen. Daarna lieten ze het boeltje overlopen en wachtten geduldig totdat de wetten van de fysica hun ding deden. Op die manier haalden ze twee eeuwen lang tonnen goud uit de belangrijkste mijn van het Romeinse Rijk. Wat overblijft is een Arizona-achtig decor van afgekalfde bergflanken en scherpe rotspieken.

Eindelijk rollen we het groene Galicië binnen. Van de vier Galicische provincies is Ourense de enige die niet aan zee ligt. Temperaturen kunnen er ondanks het bergachtig karakter tot hoog niveau klimmen, zeker in het kloofdal van de Miño en haar zijrivier de Sil. Na het ‘gouden’ stadje Ourense met z’n Romeinse brug gaat het verder richting het havenstadje Pontevedra, waarna de GPS me kordaat naar het kleine Rial dirigeert. Net wanneer we onze casa hebben gevonden, trekt alle leven weg uit het versnellingspedaal van de Honda… en het gezicht van mijn vriend. Daar gaat m’n plan voor een lekker vismenu in Combarro. Twee sinaasappels en een cola uit de koelkast leggen het ergste knorren het zwijgen op.
Na een bezoekje aan een garage in Pontevedra rijdt de Honda als nooit tevoren. Dat mag ook wel, want de rest van de dag voert ons langs de diep ingesneden kustlijn van Galicië. Het stadje Padrón vormt het prille begin van de Jacobus-legende. Hier liep het bootje met het stoffelijk overschot van de apostel vast op een rots. Deze laatste wordt nog altijd bewaard in de kerk die er in de loop der tijden overheen werd gebouwd.
Langs Noia gaat het opnieuw richting zee, waarna ik in Carnota met de Tiger het uitgestrekte strand op draai. De rustige hagelwitte zandstranden langs de kleine Ría de Corcubión doen nauwelijks vermoeden dat de gevreesde Dodenkust in aantocht is. Een strakblauwe Atlantische Oceaan rolt goedgeluimd haar golven uit als we Cabo Finisterre bereiken. In de oudheid gold de plek als het einde van de (platte) wereld, waar elke dag opnieuw de zon verdween om nadien in het oosten even mysterieus weer op te duiken. Een cirkel van leven en dood die heidenen én christenen tot de verbeelding sprak. Hier staken de pelgrims ook hun plunje in brand na hun louterende tocht. Wij moeten echter voortmaken… Resoluut wordt de koers ingezet naar Santiago. Een bezoek aan de kathedraal staat hoog op het verlanglijstje, de beloning voor elke pelgrim die het heeft gehaald. Tegenspoed sterkt het geloof en dus laat het versnellingspedaal het nogmaals afweten. Van een verkenningstocht door Santiago komt dan ook nauwelijks iets terecht, er moet een garage worden gezocht immers. Lugo, in de Romeinse tijd bekend als Lucus Augusti, maakt echter veel goed. Meer dan twee kilometer vestingwal ommuurt de stad. In de buurt van de kathedraal klim ik de Romeinse wallen op, die in 2000 op de Unesco-lijst werden gezet.

De volgende honderd kilometer voert ons over het woeste landschap van de Sierra de Meira richting kust. De laatste kilometers lopen parallel met de Ría de Ribadeo, de meest oostelijke van alle Galicische rivierinhammen. Aan de oostelijke oeverkant van de Eo-rivier ligt Asturië, onze volgende halte. Toch gaat het nog even westwaarts, want net buiten Ribadeo bevindt zich een droom van een strand naar het schijnt, Praia das Catedrais. Dat doet met haar verweerde rotsformaties bijna denken aan de imposante ribben van een kathedraal.
Het laatste deel van de dag brengt een overdaad aan groen. We volgen de Costa Verde, Spanje’s groenste kust. Het is al behoorlijk laat op de avond als een bonte opeenstapeling van huisjes erop wijst dat we in Cudillero zijn. Iets hogerop, in het gehucht El Pito, wacht ons een gerieflijke kamer in Casona de la Paca, een schitterend herenhuis met tuin. Onze laatste nacht met z’n tweeën, morgen scheiden onze wegen.
De volgende ochtend is het somber en grijs. Weer of geen weer, het roadbook leidt me geheel volgens planning naar de Picos de Europa, Spanje’s mooiste bergketen. Helaas maakt een zwaar mistgordijn de klim naar de Mirador del Fito overbodig en ook verder doorsteken naar Cangas de Onís heeft geen enkele zin. Minder spectaculair, maar ook minder nat, gaat het verder langs de groene kust. De Tiger gromt van tevredenheid en ook ik komt nu goed op dreef. In Unquera volg ik de zalmrijke Deva-rivier tot net vóór Panes, waar de eerste afslag op de AS114 naar Abándames leidt. Nog geen vier uur in de middag en ik plant de Triumph al onder de citroenenstruik van het hotelletje.
Door het renaissancevenster van de kamer geniet ik van het leven. Een oud vrouwtje kromt haar rug bij elke stap, zwarte zwijnen knorren van voldoening en dikke poezen soezen op het dak. Ondertussen is de zon weer van de partij en laat ik me verleiden tot een speelse rit langs de kronkelende Cares. De driepitter brult dat het een lieve lust is.

Vijftig tinten grijs, en van elk krijg ik de volgende dag een passende lading hemelwater te verwerken. Drijfnat glijd ik van het zadel in Santillana del Mar, een uit de kluiten gewassen boerendorp dat in de zomer steevast wordt plat gelopen. De beroemde grot van Altamira is tegenwoordig gesloten voor het publiek, maar je kunt wel terecht in een getrouwe kopie ernaast. Een bakje troost is echter het enige dat ik hier zoek.
Nog meer regendruppels slaan zich tegen mijn lijf te pletter op de autopista. Zoals te verwachten gaat de skyline van Bilbao onder eenzelfde wolkenjuk gebukt. Daar verandert het titanium en glas van moderne architecten niets aan. Weg van de snelweg kleurt alles weer wat groener. In het stadje Gernika-Lumo, dat een enorme symbolische waarde voor de Basken heeft, laad ik zowaar even de batterijen op. Het plaatsje is vooral bekend van het bombardement door Hitlers Condor-legioen. Op 26 april 1937 vatte de lucht vlam, een treurige gebeurtenis waar Pablo Picasso zijn beroemde schilderij Guernica aan wijdde…
Meer van hetzelfde, blijkt wanneer ik de volgende ochtend de luiken open gooi. Het koppige Baskenland laat zich duidelijk niet zomaar door de zon omarmen. Hoosbuien zijn mijn deel wanneer ik Spanje weer achter me laat. Het was een echte pelgrimage, zal dus wel zegen van boven zijn…

 

INFO NOORD-SPANJE
Noord-Spanje wordt ook wel het groene Spanje genoemd. Ruggegraat is het Cantabrisch gebergte dat de kusten scheidt van het binnenland. Uiteraard moet je daarvoor wel eerst de Pyreneeën over. De bekendste weg is de Camino Frances de Santiago (kortweg camino), de pelgrimsweg die je tot in het uiterste noordwesten van het Iberisch scheireiland voert.

Ligging: Noord-Spanje
Afstand vanaf Utrecht: 1.950 km Santiago de Compostella (hemelsbreed 1.445 km)
Oppervlakte: het noorden van Spanje omvat de autonome regio’s Navarra, Baskenland, Rioja, Cantabrië, Asturië, Galicië en een deel van Castilië-León. In totaal beslaan ze 106.094 km², een vijfde van de oppervlakte van Spanje.
Inwoners: 8,6 miljoen inwoners (81 inw./km²)
Hoogste punt: de Picos de Europa zijn de hoogste bergketen in dit deel van het land. De witte bergpieken waren het eerste wat de Spaanse zeevaarders te zien kregen als ze van hun ontdekkingsreizen terugkeerden. Het hoogste punt is de Torre de Cerredo, 2.648 meter.
Taal: Spaans
Schrift: Latijns
Valuta: Euro
Tijdsverschil: Geen

Klimaat: España Verde heet niets voor niets zo. De nabijheid van de Atlantische Oceaan en het hooggebergte houden de regenmeters regelmatig op peil. Regen en mist houden de plantjes groen, ook in de zomer. Toch zijn de temperaturen zacht en vergeleken met de verschroeiende zomers in het binnenland is het er aangenaam gezond.
Routes: in Puenta La Reina komen niet alleen twee belangrijke pelgrimswegen samen, maar vertrekt ook onze tocht die je van Navarra door het Noord-Spaanse binnenland naar Galicië voert. De terugtocht brengt je langs de prachtige kusten van de Costa Verde en Baskenland. Na twaalf enerverende stuurdagen zadel staat er een flinke vijfduizend kilometer extra op de teller. De routes (acht dagtrips met een lengte rond de 300 kilometer plus de heen- en terugreis van/naar Utrecht) van deze reis vind je op onze website: www.motoplus.nl/toeren.
Bezienswaardigheden: het noorden van Spanje heeft natuurlijk veel meer te bieden dan zijn beroemde pelgrimsweg. Een kleine greep uit het aanbod: het Baskische Laguardia met zijn massieve muren, het dorpje Briones in een meanderbocht van de Ebro, Aguilar de Campóo, Romeinse goudmijnen van Las Médulas, diep ingesneden Galicische kustlijn, hagelwitte zandstrandjes en dreigende rotskapen, Lugo met zijn Romeinse muren, het kleurrijke vissersdorp Cudillero, de bergpieken van de Picos de Europa, kleinoodjes als San Vicente de la Barquera en Santillana del Mar, Gernika-Lumo, de ongerepte strandjes van de Costa Vasca en, pal op de grens met Frankrijk, Hondarribia met haar typisch Baskische vissershuizen met houten balkons.

CONTACT
www.spain.info

REISDUUR : 12 dagen
GEREDEN AFSTAND : 5.000 kilometer

Motoplus als app?

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op het icoontje onderaan en klik daarna op Zet in beginscherm.

Om deze webapp op je telefoon te installeren, klik dan op de drie bolletjes rechtsbovenin

en klik daarna op Toevoegen aan startscherm.